Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU3715

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
C04/206HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3715
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; devolutieve werking hoger beroep; samenloop WAM-verzekeringen; reikwijdte uitsluiting dekking / overtreding art. 8 WVW 1994 ontneemt bestuurder niet de wettelijke bevoegdheid een motorrijtuig te besturen; reikwijdte begrip “feit van algemene bekendheid” miskend (art. 149 lid 2 Rv); ‘harde’ versus ‘zachte’ samenloopclausules

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 146
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 19
NJ 2006, 282 met annotatie van M.M. Mendel
RvdW 2006, 81
VR 2006, 63
JWB 2006/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 januari 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/206HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. M. Ynzonides,

t e g e n

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: London - heeft bij exploot van 1 augustus 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: Aegon - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat Aegon op grond van de bij haar gesloten verzekering voor de personenauto met kenteken [AA-BB-00] is gehouden dekking te verlenen voor de door [betrokkene 1] geleden en nog te lijden schade en derhalve gehouden is de (verdere) schadeafwikkeling ter hand te nemen, alsmede Aegon te veroordelen aan London te betalen het thans door haar voldane bedrag van ƒ 58.549,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagen waarop London de schade heeft voldaan, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.

Aegon heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 juli 2002 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van London en bij vonnis van 20 augustus 2002 partijen gemachtigd om tussentijds appel in te stellen van het eerdergenoemde tussenvonnis en de zaak ambtshalve naar de parkeerrol verwezen.

Tegen het tussenvonnis van 17 juli 2002 heeft Aegon hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 13 april 2004 heeft het hof het bestreden vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van London afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft London beroep in cassatie ingesteld. Aegon heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Aegon heeft zich ten aanzien van middelonderdeel I gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, doch de middelonderdelen II en III bestreden. London heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor London mede door mr. M. Verwijs, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt in het principaal beroep tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing, en in het voorwaardelijk incidenteel beroep tot verwerping.

De advocaat van London heeft bij brief van 14 oktober 2005 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 8 mei 1999 heeft [betrokkene 2] zijn personenauto ter reparatie aangeboden aan het garagebedrijf [A] B.V. (hierna: [A]). Gedurende de reparatie heeft [A] aan [betrokkene 2] een leenauto ter beschikking gesteld.

(ii) Op diezelfde dag heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen die leenauto, bestuurd door [betrokkene 2], en een personenauto, bestuurd door [betrokkene 1], ten gevolge waarvan [betrokkene 1] gewond is geraakt en schade heeft geleden.

(iii) Het bloedalcoholpromillage van [betrokkene 2] ten tijde van het ongeval bedroeg 1,68.

(iv) De leenauto was door [A] bij London tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd onder een garageverzekering. Deze verzekering sluit in art. 3.4 van de daarop toepasselijke Algemene Voorwaarden GAR9292 dekking uit van schade "waarvoor de aansprakelijkheid onder enig andere verzekering verzekerd is of daaronder verzekerd zou zijn indien onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan". Hierna wordt deze verzekering aangeduid als: "de garageverzekering".

(v) De door [betrokkene 2] aan [A] ter reparatie gegeven auto was bij Aegon tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd. Ingevolge art. 1.2.2 van de op deze verzekering toepasselijke Voorwaarden Autoverzekering Bedrijven nr. 1294 was, naast het in de polis omschreven motorrijtuig, verzekerd "een naar type en prijsklasse gelijksoortig vervangend motorrijtuig gedurende reparatie of onderhoud van het motorrijtuig, voor zover daarvoor geen andere verzekering van kracht is". Voorts is ingevolge art. 2.3.2 van deze voorwaarden uitgesloten van dekking schade "veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder niet wettelijk bevoegd is het motorrijtuig te besturen". Hierna wordt deze verzekering aangeduid als: "de WAM-verzekering".

(vi) London heeft aan [betrokkene 1] een bedrag van ƒ 58.549,-- aan schadevergoeding betaald.

3.2 De onderhavige zaak betreft de vraag wie van partijen gehouden is dekking te verlenen voor de schade die [betrokkene 1] heeft geleden als gevolg van het door [betrokkene 2] veroorzaakte ongeval.

Hierbij doen zich, voor zover in cassatie van belang, drie verdere vragen voor, te weten:

(a) of, zoals London primair aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, de gevolmachtigd agent van Aegon, [B] B.V., aan London heeft toegezegd dat zij op grond van art. 3.4 van de algemene voorwaarden van de garageverzekering de schade in behandeling zou nemen en, zo ja, of Aegon aan deze toezegging gebonden is;

(b) of, zoals Aegon ten verweer heeft aangevoerd, het hiervoor in (v) geciteerde art. 2.3.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering dekking van de schade uitsluit, nu ten tijde van het ongeval het bloed-alcoholpromillage van [betrokkene 2] hoger was dan wettelijk toegestaan;

(c) of, zoals London verder aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, de hiervoor in 3.1 onder(iv) geciteerde samenloopclausule van art. 3.4 van de garageverzekering harder is dan de hiervoor in 3.1 onder (v) geciteerde samenloopclausule in de laatste zinsnede van art. 1.2.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering, en daarom meebrengt dat London niet gehouden is de schade van [betrokkene 1] voor haar rekening te nemen.

De rechtbank heeft bij haar onder 1 genoemde tussenvonnis vraag (b) ontkennend maar vraag (c) bevestigend beantwoord en het antwoord op vraag (a) in het midden gelaten.

Het hof heeft in zijn in cassatie bestreden arrest weliswaar met de rechtbank vraag (c) bevestigend beantwoord maar, anders dan de rechtbank, vraag (b) eveneens bevestigend. Op grond van dit laatste heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van London afgewezen. Het hof heeft vraag (a) onbehandeld gelaten.

Het principale cassatieberoep heeft betrekking op de vragen (a) en (b) en het incidentele cassatieberoep op vraag (c).

4. Beoordeling van het middel in het principaal beroep

4.1 Onderdeel I verwijt, kort samengevat, het hof de devolutieve werking van het hoger beroep en daarmee zijn taak als appelrechter te hebben veronachtzaamd door, na gegrondbevinding van Aegons vierde appelgrief en staande voor de vraag of de vorderingen van London toewijsbaar waren, een onderzoek naar de primaire grondslag van de vorderingen van London, te weten de hiervoor in 3.2(a) vermelde toezegging van [B], achterwege te laten en die vorderingen dadelijk af te wijzen.

Deze klacht, ten aanzien waarvan Aegon zich heeft gerefereerd, slaagt. Uit met name rov. 19 van het bestreden arrest blijkt dat het hof zich geen rekenschap ervan heeft gegeven dat het deze primaire grondslag nog had te onderzoeken alvorens tot een beslissing ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vorderingen van London te komen. Daarmee heeft het zijn taak als appelrechter miskend.

4.2.1 Onderdeel II bestrijdt met een aantal klachten rov. 16 en 17 van het bestreden arrest waarin het hof de vierde appelgrief van Aegon heeft beoordeeld en gegrond bevonden. Met die grief bestreed Aegon de verwerping door de rechtbank van haar verweer dat op grond van art. 2.3.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering dekking was uitgesloten wegens het bloedalcoholpromillage van [betrokkene 2] ten tijde van het ongeval (zie hiervoor in 3.2(b)).

4.2.2 In rov. 16 beoordeelt het hof de reikwijdte van de uitsluiting van het genoemde art. 2.3.2, welke wordt aangeknoopt aan het ontbreken van de "wettelijke" bevoegdheid een motorrijtuig te besturen. In dat verband stelt het hof voorop dat [betrokkene 2] ten tijde van het ongeval beduidend meer alcohol in zijn bloed had dan 0,5 promille, en dat het krachtens art. 8 lid 2 WVW 1994 een ieder is verboden een voertuig te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed. "Hieruit kan", zo vervolgt het hof, "niet anders worden geconcludeerd dan dat [betrokkene 2] ten tijde van het ongeval niet bevoegd was een auto te besturen. Dat [betrokkene 2] wel beschikte over een geldig rijbewijs en dat hem op het moment van het ongeval niet door de rechter ingevolge artikel 179 WVW 1994 de rijbevoegdheid was ontzegd, maakt het bovenstaande niet anders", aldus het hof.

Op grond van wat het hof hier overweegt moet worden aangenomen dat het hof de desbetreffende polisbepaling zo heeft opgevat dat het begrip "wettelijk bevoegd" daarin wordt gebezigd in de betekenis die daaraan door de Wegenverkeerswet 1994 wordt gegeven. Bij dit, klaarblijkelijk ook door het onderdeel gekozen, uitgangspunt klaagt onderdeel II.4 terecht dat het hof met zijn hierboven weergegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste opvatting ten aanzien van genoemd begrip. Degene die op grond van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegd is een motorrijtuig te besturen, hetgeen ingevolge Hoofdstuk VI van die wet het geval is indien hem een rijbewijs is afgegeven en dit zijn geldigheid niet heeft verloren, verliest die bevoegdheid niet reeds van rechtswege doordat hij het verbod van art. 8 van die wet overtreedt. Dat blijkt uit het stelsel van de wet. In de eerste plaats geldt daartoe dat art. 162 WVW 1994 weliswaar de mogelijkheid opent om aan een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeert een tijdelijk rijverbod op te leggen, maar dat dit niet reeds mogelijk is op grond van de gebleken enkele overtreding van het verbod van art. 8, doch dat daartoe aan de desbetreffende opsporingsambtenaar moet zijn gebleken dat de betrokken bestuurder zodanig onder invloed van alcohol verkeert dat hij onvoldoende in staat is een motorrijtuig behoorlijk te besturen. Voorts kan gewezen worden op art. 123 WVW 1994 waaruit naar voren komt dat het rijbewijs noch door overtreding van het verbod van art. 8 noch door overtreding van het rijverbod van art. 162 zijn geldigheid verliest. In de derde plaats blijkt uit art. 179 dat de rechter de ontzegging van de rijbevoegdheid als bijkomende straf kan opleggen bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens (onder meer) overtreding van art. 8 of overtreding van een op grond van art. 162 opgelegd rijverbod.

4.2.3 Voorts richt het onderdeel een aantal klachten tegen rov. 17. Daarin overweegt het hof, samengevat, dat [betrokkene 2] de uitsluiting van art. 2.3.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering redelijkerwijs niet anders mocht opvatten dan dat daaronder in elk geval ook begrepen was het besturen van een auto in strijd met het verbod van art. 8 WVW 1994; dat het een feit van algemene bekendheid is dat het besturen van een auto met te veel drank op wettelijk niet is toegestaan en strafbaar is en veelal in WAM-verzekeringen van dekking is uitgesloten; dat het enkele feit dat dit in art. 2.3.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering niet expliciet is vermeld onvoldoende zwaarwegend is om te komen tot een ander oordeel; dat [betrokkene 2] dus redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door hem veroorzaakte schade van dekking onder de WAM-verzekering is uitgesloten.

Zoals onderdeel II.4 in de laatste zin van alinea 4 terecht betoogt, kan wat het hof in rov. 17 overweegt niet in stand blijven, voorzover het hof daar voortbouwt op zijn hiervoor in 4.2.2 onjuist bevonden rechtsopvatting.

Onderdeel II.7 klaagt voorts onder meer dat het hof als feit van algemene bekendheid aan zijn oordeel ten grondslag legt dat het besturen van een auto met te veel drank op veelal in WAM-verzekeringen van dekking is uitgesloten. Aldus heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat op dit punt geenszins sprake is van een feit dat ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen.

Deze klacht is gegrond. Het Hof heeft de reikwijdte van het begrip "feit van algemene bekendheid" in art. 149 lid 2 Rv. miskend nu in het licht van wat wordt opgemerkt in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 22, geenszins gezegd kan worden dat het algemene publiek dat een WAM-verzekering afsluit, geacht kan worden te weten of uit voor ieder toegankelijke bronnen te weten kan komen dat veelal in WAM-verzekeringen dekking is uitgesloten voor schade die is toegebracht door de verzekerde auto terwijl de bestuurder daarvan meer alcohol in zijn bloed had dan het wettelijk toegestane promillage.

4.2.4 De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

4.3 Hetzelfde geldt voor de klachten van onderdeel III.

5. Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep

5.1 In rov. 15 heeft het hof geoordeeld dat de samenloopclausule in art. 1.2.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering geen "harde" maar een "zachte" samenloopclausule is. Het hof heeft daartoe overwogen:

"Van een 'harde' samenloopclausule is eerst sprake, indien de bepaling in geval van samenloop niet alleen de dekking door de verzekeringsovereenkomst, waarin zij is opgenomen, uitsluit, maar tevens bepaalt dat die verzekering in het geval van samenloop geheel moet worden weggedacht. De door Aegon gehanteerde bepaling strekt niet hiertoe."

5.2.1 Onderdeel 1 betoogt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het miskent

(i) dat mogelijk is dat ook een samenloopclausule zonder "wegdenktournure" als hard kan worden gekwalificeerd, nu zo'n clausule met een "wegdenktournure" slechts een voorbeeld van een "harde" samenloopclausule is en een "wegdenktournure" geen noodzakelijke voorwaarde is voor het kwalificeren van een samenloopclausule als "hard";

(ii) dat mogelijk is dat een samenloopclausule zonder "wegdenktournure" zelfs als "harder" moet worden gekwalificeerd dan een samenloopclausule met "wegdenktournure".

5.2.2 Het onderdeel faalt. Zoals het hof met juistheid heeft overwogen, is van een "harde" samenloopclausule slechts sprake, indien de clausule in geval van samenloop niet alleen de dekking door de verzekeringsovereenkomst, waarin zij is opgenomen, uitsluit, maar tevens bepaalt dat die verzekering in het geval van samenloop geheel moet worden weggedacht. Dit heeft tot gevolg dat de vraag welke verzekering dekking verleent, moet worden beoordeeld alsof zich in het geheel geen samenloop voordoet, zodat ook de in de voorwaarden van de andere verzekering opgenomen "zachte" samenloopclausule niet van toepassing is (vgl. HR 27 februari 1998, nr. 16478, C96/296, NJ 1998, 764). Ter wille van de rechtszekerheid kan niet worden aanvaard dat, zoals het onderdeel verdedigt, van een "harde" samenloopclausule ook sprake zou kunnen zijn indien zij niet tevens zou inhouden dat de verzekering in het geval van samenloop met een andere verzekering geheel moet worden weggedacht (de - in de woorden van het middel - "wegdenktournure"). Daarmee zou immers het meest kenmerkende element dat de "harde" samenloopclausule van de "zachte"onderscheidt, vervallen, hetgeen zou leiden tot onduidelijkheid die met het oog op de niet zelden gecompliceerde problematiek van de samenloop van verzekeringen, ongewenst is.

5.2.3 Onderdeel 2 berust op de veronderstelling dat het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en verwijt het hof niet te zijn ingegaan op Aegons betoog in de feitelijke instanties dat de clausule in haar polis "harder" is dan, althans ten minste even "hard" is als die van London.

Het onderdeel kan niet slagen. In het licht van wat hiervoor in 5.2.2 is overwogen, is alleszins begrijpelijk dat het hof de samenloopclausule in art. 1.2.2 van de voorwaarden van de WAM-verzekering heeft gekwalificeerd als een "zachte" samenloopclausule, zulks in tegenstelling tot de samenloopclausule in art. 3.4 van de voorwaarden van de garageverzekering van London die door de rechtbank, naar 's hofs vaststelling (rov. 13) in hoger beroep onbestreden, als "hard" is gekwalificeerd. Aan dat oordeel doen de stellingen in de door onderdeel 2 genoemde vindplaatsen niet af omdat zij alle uitgaan van de onjuiste gedachte dat een samenloopclausule ook zonder de "wegdenktournure" ten minste even hard als een "harde" clausule kan zijn.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principaal beroep:

vernietigt het arrest van gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 april 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van London begroot op € 951,58 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van London begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 januari 2006.