Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU3447

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
00155/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3447
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1579
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Schuld ex art. 6 WVW 1994. 2. Strafmotivering / geen blijk van inzicht in verwijtbaarheid. Ad 1. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval ex art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (HR NJ 2005, 252). Het Hof heeft vastgesteld dat het uitzicht van verdachte op het voor de door hem bestuurde bus gelegen wegdek beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte, dat verdachte

gezien heeft dat de moeder voor de bus langs was overgestoken en dat hij vervolgens is opgetrokken zonder dat hij heeft gezien dat ook het achter de moeder fietsende vijfjarige slachtoffer - dat toen aan zijn zicht was onttrokken - de oversteekmanoeuvre had voltooid.

Het in de overwegingen van het Hof vervatte nadere oordeel dat en waarom sprake is van de bewezenverklaarde schuld ex art. 6 WVW 1994 komt erop neer dat verdachte in de omstandigheden van het geval, alvorens zijn weg te vervolgen, zich er zelf van had moeten

vergewissen of hij dit kon doen zonder gevaar voor het overstekende kind en dat hij in dat opzicht niet had mogen afgaan op enig gebaar van de moeder. Dat oordeel is in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder voorzover die het beperkte uitzicht van verdachte betreffen, en tegen de achtergrond van de van verdachte als bestuurder van een motorvoertuig te vergen zorgvuldigheid ten aanzien van een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer als het slachtoffer, onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. 's Hofs overweging dat verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat hij de fietsers-oversteekplaats is opgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen waar het slachtoffer zich bevond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 32
NJ 2006, 303 met annotatie van Y. Buruma
RvdW 2006, 116
VR 2007, 3
AA20060426 met annotatie van Th.A. de Roos
NBSTRAF 2006/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 januari 2006

Strafkamer

nr. 00155/05

AGJ/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 mei 2004, nummer 23/003141-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 3 december 2002 - de verdachte ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.F. Thunnissen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde schuld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte is met die door hem bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddammerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Hij heeft zijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;

verdachte had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee hem op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, [betrokkene 1] en haar achter haar fietsende kindje [slachtoffer], op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;

verdachte had het redelijke vermoeden dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;

tijdens het oversteken van [betrokkene 1] en haar kindje [slachtoffer] is verdachte zich niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van [slachtoffer] op de fietsersoversteekplaats;

immers is verdachte, nadat hij had gezien dat [betrokkene 1] de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder zich voldoende te vergewissen waar [slachtoffer] zich op die fietsersoversteek-plaats bevond en zonder zich voldoende ervan te overtuigen dat hij dit kon doen zonder die [slachtoffer] in gevaar te brengen, die fietsersoversteekplaats opgereden;

[slachtoffer] was toen met zijn fiets gevallen en lag voor de personenbus van verdachte op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;

verdachte heeft toen met de personenbus die [slachtoffer] overreden."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:

"Desgevraagd verklaar ik dat ik het door de rechtbank bewezen verklaarde feit beken, te weten:

dat ik op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, mij zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heb gedragen dat een aan mijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een kind, genaamd [slachtoffer], werd gedood.

Het volgende is gebeurd:

ik ben met die door mij bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddammerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Ik heb mijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;

ik had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee mij op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, [betrokkene 1] en haar achter haar fietsende kindje [slachtoffer], op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;

ik vermoedde dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;

tijdens het oversteken van [betrokkene 1] en haar kindje [slachtoffer] ben ik mij niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van [slachtoffer] op de fietsersoversteekplaats;

immers ben ik, nadat ik had gezien dat [betrokkene 1] de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder mij voldoende te vergewissen waar [slachtoffer] zich op die fietsersoversteek-plaats bevond en zonder mij voldoende ervan te overtuigen dat ik dit kon doen zonder die [slachtoffer] in gevaar te brengen, die fietsersoversteek-plaats opgereden;

[slachtoffer] was toen met zijn fiets gevallen en lag voor mijn personenbus op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;

ik heb toen met de personenbus die [slachtoffer] overreden."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren J. Willems en J.P. Schilperoord, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel van een van hen:

"Wegomschrijving:

Op de plaats waar het fietspad van de Assering de Noorddammerweg kruiste werd dit fietspad gemarkeerd door middel van een op de rijbaan aangebrachte blokmarkering. Zowel op de oostelijke als op het westelijke deel van de Noorddammerweg waren voor deze blokmarkering haaientanden op de rijbaan aangebracht.

Aangetroffen sporen op of aan de voertuigen.

Het frame van de fiets van het slachtoffer was ter hoogte van het achterwiel verbogen. Het frame was zodanig verbogen, dat er een kracht van de rechterzijde van de fiets naar de linkerzijde van de fiets had gewerkt.

Op de stootbalk van de taxibus troffen wij een geel verfspoor aan, vermoedelijk afkomstig van de fiets van het slachtoffer."

c. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Op maandag 15 oktober 2001 reed ik met mijn zoontje [slachtoffer] (het hof begrijpt: [achternaam slachtoffer]) over het fietspad op de Asserring (naar het hof begrijpt: te Amstelveen). Ik wilde de Noorddammerweg oversteken. [slachtoffer] fietste achter mij aan. Ik zag dat op de Asserring een blauwe taxibus mij tegemoet kwam rijden en rechtsaf de Noorddammerlaan (het hof leest: Noorddammerweg) op wilde rijden. Ik zag dat het taxibusje de bocht omging en voor de fietsersoversteekplaats stil stond. Ik zag dat de bestuurder naar mij een gebaar maakte dat ik kon oversteken. Ik fietste door. Toen ik de Noorddammerweg was overgestoken hoorde ik achter me dat [slachtoffer] viel. Ik zag dat [slachtoffer] was gevallen en dat hij en zijn fiets voor het taxibusje op straat lag. Ik zag dat het busje ging rijden. Ik zie dat de bestuurder met zijn taxibusje vervolgens over [slachtoffer] heen rijdt."

d. een verslag van 15 oktober 2001, opgemaakt door M.J. van der Meulen, lijkschouwer van de gemeente Amsterdam, betreffende een niet natuurlijke dood, voorzover inhoudende:

"Naam: [achternaam slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

Geboren op: [geboortedatum] 1996

- Kind is aangereden door bus, hedenmiddag ongeveer 15:00 uur

- Aankomst EHBO AZVU rond 15:25 uur; kind was constant in diep coma.

- Reanimatiepogingen zonder resultaat. Kind is overleden verklaard om 16:05 uur.

Bij schouw: ernstig hoofdletsel met schade linkerzijde schedel (zou niet met het leven verenigbaar zijn wat hersenschade aangaat). Voorts zou inwendige verbloeding rechtstreekse doodsoorzaak zijn geweest."

3.4. Met betrekking tot de opgelegde straf heeft het Hof overwogen:

"De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft, nadat hij volgens de regels gestopt was voor het kruisende fietspad teneinde voorrang te verlenen aan een vrouw op een fiets en een achter haar fietsend kind, met zijn personenbus het kind dat vlak voor zijn bus ten val was gekomen en op dat moment door verdachte niet meer kon worden gezien, overreden. Het kind, op het moment van het ongeluk slechts vijf jaar oud, is aan zijn verwondingen overleden. Het ongeluk gebeurde voor de ogen van de moeder, die voor haar kind uitfietste en omkeek toen zij bemerkte dat haar zoontje was gevallen. In paniek heeft zij vergeefs geprobeerd verdachte tegen te houden, toen hij met zijn bus optrok terwijl haar kind voor de auto op de weg lag.

Het aangerichte leed is onherstelbaar en onvoorstelbaar groot.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het ongeluk weliswaar betreurt maar zichzelf niet volledig schuldig acht aangezien hij van mening is dat hij uit een handgebaar dat de moeder naar hem zou hebben gemaakt, af mocht leiden dat het jongetje - dat hij op dat moment niet kon waarnemen - uit de gevarenzone was. Verdachte heeft naar eigen zeggen niets van het ongeval gemerkt en werd er pas op geattendeerd dat er iets gebeurd was, toen hij mensen hoorde gillen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij beide fietsers, moeder en kind, heeft zien aankomen, voor hen gestopt was, had gezien dat zij beiden aan de oversteek van links naar rechts voor zijn bus langs waren begonnen en door zijn rechter zijruit had gezien dat de moeder over de kruising heen was. Verdachte wist dat zijn uitzicht op het wegdek voor hem enigszins beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte.

Desondanks is verdachte met zijn bus opgetrokken zonder dat hij had gezien dat het kind voor hem langs veilig de kruising was opgestoken.

De stelling van de verdachte dat hij reageerde op een handgebaar van de moeder is niet relevant. Een kind dat aan het verkeer deelneemt, is bijzonder kwetsbaar. Verdachte had dan ook extra alert moeten zijn op de positie van het jongetje en moeten wachten totdat hij met eigen ogen had gezien dat het kind veilig was overgestoken en met zijn moeder voort fietste op het voor verdachte zichtbare gedeelte van het fietspad. De verantwoordelijkheid en de schuld ligt dan ook enkel en alleen bij de verdachte.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiƫle Documentatiedienst van 31 maart 2004, is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Verdachte is werkzaam geweest als beroepschauffeur en werkt na zijn pensioenering tot op de dag van vandaag enkele uren per dag voor en bij een taxibedrijf. Hij heeft jarenlange rijervaring. Het hof realiseert zich dat het gevolg van een zeer langdurige onvoorwaardelijke rijontzegging zal zijn dat de verdachte zijn baan zal verliezen, zijn familie niet rond kan rijden en mogelijk nooit meer bestuurder van een motorrijtuig kan zijn. Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld heeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen.

Gezien het hiervoor overwogene is de door de rechtbank opgelegde straffen, die ook door de advocaat-generaal zijn gevorderd een passende reactie op het bewezengeachte feit en doet deze onvoldoende recht aan de ernst daarvan. Met name acht het hof de duur van de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep gevorderde bijkomende straf onvoldoende. Het hof acht slechts de hierna op te leggen straffen passend en geboden."

3.5. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaard zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252).

3.6. Het Hof heeft vastgesteld dat het uitzicht van de verdachte op het voor de door hem bestuurde bus gelegen wegdek beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte, dat de verdachte gezien heeft dat de moeder voor de bus langs was overgestoken en dat hij vervolgens is opgetrokken zonder dat hij heeft gezien dat ook het achter de moeder fietsende vijfjarige slachtoffer - dat toen aan zijn zicht was onttrokken - de oversteekmanoeuvre had voltooid.

Het in de overwegingen van het Hof vervatte nadere oordeel dat en waarom sprake is van de bewezenverklaarde schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 komt erop neer dat de verdachte in de omstandigheden van het geval, alvorens zijn weg te vervolgen, zich er zelf van had moeten vergewissen of hij dit kon doen zonder gevaar voor het overstekende kind en dat hij in dat opzicht niet had mogen afgaan op enig gebaar van de moeder.

Dat oordeel geeft in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder voorzover die het beperkte uitzicht van de verdachte betreffen, en tegen de achtergrond van de van de verdachte als bestuurder van een motorvoertuig te vergen zorgvuldigheid ten aanzien van een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer als het slachtoffer, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

3.7. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel keert zich tegen de strafoplegging.

4.2. Het Hof heeft omtrent de strafoplegging overwogen:

"Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld heeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen."

4.3. 's Hofs overweging dat de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat hij de fietsersoversteekplaats is opgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen waar het slachtoffer zich bevond.

Gelet op het vorenstaande is de strafoplegging niet naar behoren met redenen omkleed.

4.4. Het middel is gegrond.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt op grond waarvan de bestreden uitspraak ambtshalve behoort te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 januari 2006.