Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU3256

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
C04/252HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Europees octrooi inzake werkwijze voor het bewerken van vooruitbetaalde telefoonoproepen; uitleg; uitleg stand van de techniek; geen directe of indirecte inbreuk; passeren ongespecificeerd bewijsaanbod; hof kon zelf beslissen of het aan deskundige voorlichting behoefte had

Wetsverwijzingen
Rijksoctrooiwet 1995 53
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), München, 05-10-1973 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 20
RvdW 2006, 87
BIE 2006, 54
JWB 2006/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 januari 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/252HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats], Israël,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht PREPAID CARDS BVBA,

gevestigd te Diegem, België,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

1. GNANAM TELECOM CENTER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht TELECOM CENTERS HOLDING LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, en

3. de rechtspersoon naar vreemd recht INTERACTIVE COMMUNICATION SERVICES GLOBAL HOLDING PLC.,

gevestigd te London, Verenigd Koninkrijk,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploten van 18 juli 2000 onder meer verweersters in cassatie - verder te noemen: Gnanam c.s. - op verkorte termijn en met uitsluiting van repliek en dupliek gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en, kort gezegd, gevorderd zowel ten principale als bij wijze van voorlopige voorziening, de gedaagden ieder afzonderlijk te verbieden betrokken te zijn bij directe of indirecte inbreuk op (het Europese octrooi) EP 0 572 991 B1 in alle gedesigneerde landen althans Nederland, zulks op straffe van een dwangsom. [Eiser] c.s. hebben in de hoofdzaak voorts een aantal nevenvorderingen ingesteld.

Gnanam c.s. hebben de vorderingen bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd het octrooi nietig te verklaren, indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat de door Gnanam gehanteerde werkwijze in weerwil van het verweer inbreuk maakt op het octrooi.

[Eiser] c.s. hebben de vordering in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juli 2001 in conventie de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen, en in voorwaardelijke reconventie verstaan dat op de vordering niet behoeft te worden beslist.

Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Gnanam c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 4 december 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Gnanam c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiser] c.s. mede door mr. J.J. Brinkhof, advocaat te Amsterdam, en voor Gnanam c.s. mede door mr. J. Brandt, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Eiser tot cassatie [eiser 1] is houder van Europees octrooi EP 0 572 991, voor een werkwijze voor het bewerken van vooruit betaalde telefoonoproepen (a method of processing prepaid telephone calls; hierna ook: het octrooi). De verlening van dit octrooi is op 30 oktober 1996 gepubliceerd. De octrooiaanvrage is ingediend op 2 juni 1993, met beroep op prioriteit op basis van een Israëlische octrooiaanvrage van 2 juni 1992. Het octrooi is verleend voor zeventien landen, waaronder Nederland.

(ii) De conclusies van het octrooi luiden als volgt:

"1. A method of processing prepaid telephone calls, particularly for use in connection with public telephones, comprising the steps of -

(a) programming a respective Public Automatic Branch exchange (PABX) to become toll-free accessible for incoming calls through dialling any one out of a series of predetermined numbers stored in a data-bank of the PABX;

(b) enabling a calling party to complete a connection with a called party;

(c) cutting-off the said connection after a prefixed time/counter pulses interval;

(d) erasing from the data-bank any number that had once been dialled;

(e) marking the said series of numbers, each on a vendible carrier member in an invisible - however readily exposable - manner; and

(f) offering the vendible carrier members for sale to the general public,

so that purchasers of the carrier members, after exposing the respective number, are enabled to place a call for the duration of the said interval.

2. The method of Claim 1 further comprising the step of first dialling a toll-free access number of the PABX.

3. (...).

4. (...)

5. The method of claim 1 wherein the said carrier members are in the form of cards, said number being imprinted thereon and covered by a layer of a removable, opaque coating.

6. (...)"

De beschrijving beslaat drie kolommen van het octrooischrift. Het octrooischrift bevat geen figuren (tekeningen).

(iii) Gnanam c.s., zijn als "groep van bedrijven" - iedere vennootschap in de eigen rol - betrokken bij het op de relevante Europese markten brengen van prepaid telefoonkaarten aangeduid als Gnanam, Gnanam Asia, Gnanam Africa en Gnanam Phonepass, als afgebeeld in rov. 1.3 van het vonnis van de rechtbank.

3.2 Aan haar onder 1 vermelde vorderingen leggen [eiser] c.s. ten grondslag dat Gnanam c.s., door hun hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde handelwijze en door het publiek in staat te stellen om met behulp van die telefoonkaarten gesprekken te voeren, direct of indirect inbreuk maken op het octrooi. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en heeft daarom op de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering niet beslist. Het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het de volgende gronden gebezigd.

Het hof heeft vooropgesteld dat het octrooi betrekking heeft op een werkwijze voor het bewerken van vooruitbetaalde telefoonoproepen (rov. 5) en aan de hand van de beschrijving vastgesteld dat het octrooi tot doel heeft de kostbare met muntinworp of magneetkaart werkende telefoons in openbare telefooncellen overbodig te maken (rov. 6) en voorbereidende contacten met externe organisaties overbodig te maken (rov. 8). Het hof heeft de geoctrooieerde werkwijze, kort gezegd, als volgt samengevat. Deze voorziet in een systeem voor het verwerken van vooruitbetaalde telefoongesprekken, dat met 'gewone' telefoontoestellen kan werken, waartoe dragers aan het publiek worden verkocht met een afgeschermd, geheim nummer, dat een bepaald aantal telefoontikken of een bepaalde gespreksduur - hierna: het tegoed - vertegenwoordigt. Dat nummer is een telefoonnummer dat de gebruiker - eventueel kosteloos - toegang geeft tot een daartoe geschikt gemaakte openbare telefooncentrale, alwaar de centrale verifieert dat het nummer een tegoed vertegenwoordigt, en de beller in staat stelt vervolgens het door hem gewenste abonneenummer te kiezen en aldus met dat nummer verbinding te verkrijgen. Nadat het tegoed is verbruikt verbreekt de centrale de verbinding en wordt het gebruikte geheime nummer uit het geheugen van de centrale gewist, zodat het niet nogmaals kan worden gebruikt. In een uitvoeringsvorm van het octrooi heeft de drager de vorm van een kaart en bevindt het geheime nummer zich onder een ondoorzichtige 'kraslaag' (rov. 6). Het hof heeft overwogen dat uit het Amerikaanse octrooi, waarvan het octrooi van [eiser] c.s. is afgebakend - het [A]-octrooi - reeds een werkwijze voor het verwerken van vooruitbetaalde telefoongesprekken bekend was, waarbij het codenummer met het daaraan gekoppelde tegoed in de computer van een "centraal kantoor" (special central office; traveller phone service office) was opgeslagen en de gebruiker dat centrale kantoor diende te bellen, het verkregen codenummer diende in te toetsen, gevolgd door het gewenste abonneenummer (rov. 7). Het hof heeft vastgesteld dat volgens het [eiser 1]-octrooi het nadeel van het [A]-octrooi hierin is gelegen dat de gebruikers voorbereidende stappen dienen te zetten, via bijvoorbeeld creditkaartbedrijven, en dat het [eiser 1]-octrooi beoogt dat overbodig te maken (rov. 8).

Het hof heeft vervolgens het verweer van Gnanam c.s. gegrond bevonden dat de door haar gevolgde werkwijze geheel overeenkomstig de leer van het [A]-octrooi is. Het verwierp hetgeen [eiser] c.s. daartegen hadden ingebracht, te weten dat het [A]-octrooi van de werkwijze van Gnanam c.s. afwijkt, aangezien bij dat octrooi de gebruiker eerst een codenummer dient aan te schaffen en door betaling daarvan een krediet moet openen, waarna pas codenummer en kredietbedrag in de computer van de externe organisatie worden ingevoerd. Het hof oordeelde evenwel dat een dwingende volgorde van die handelingen in de beschrijving van het [A]-octrooi niet is vermeld (rov. 11-12).

In rov. 13 heeft het hof voorts geoordeeld dat de gebruiker bij de werkwijze van Gnanam c.s. niet rechtstreeks een geschikt geprogrammeerde telefoon-centrale dient te bellen, alwaar het tegoed wordt gecontroleerd en de verbinding tot stand gebracht, zoals het [eiser 1]-octrooi leert, maar eerst contact dient te zoeken met een externe organisatie, Gnanam c.s., die de ingevoerde code op de aanwezigheid van tegoed controleert en de gebruiker vervolgens de verbinding laat kiezen.

Ten slotte heeft het hof de stelling van [eiser] c.s. onderzocht dat een belangrijk verschil tussen het [eiser 1]-octrooi en de stand van de techniek (het [A]-octrooi) hierin is gelegen dat volgens het [eiser 1]-octrooi het codenummer op een kaart is afgedrukt die voorzien is van een 'kraslaag'. De stelling dat Gnanam c.s. door het gebruik van 'kraskaarten' inbreuk zou maken, is door het hof verworpen, met de overweging dat het octrooi de kraskaart niet als zelfstandige uitvinding vermeldt of zelfs maar suggereert, en dan ook geen op een dergelijke kaart gerichte conclusie bevat. Het octrooi beschermt die kaart slechts als voorkeurstoepassing van de werkwijze volgens het octrooi, zodat ook van indirecte inbreuk geen sprake is, aldus het hof (rov. 15).

3.3.1 Het tegen het arrest van het hof in stelling gebrachte middel telt zes onderdelen, waarvan de eerste vijf betrekking hebben op de door het hof aan het octrooi en aan het [A]-octrooi gegeven uitleg, die is uitgemond in het oordeel dat van directe inbreuk geen sprake is. Het zesde onderdeel ziet op 's hofs oordeel dat ook van indirecte octrooi-inbreuk geen sprake is.

3.3.2 Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, heeft het hof blijkens rov. 8, 11 en 12 het octrooi aldus begrepen dat het zich van de stand van de techniek (het [A]-octrooi) niet daarin onderscheidt - zoals betoogd door [eiser] c.s. - dat het volgens het [A]-octrooi nodig is voorafgaand aan het gebruik van de telefoonfaciliteit contact met een externe organisatie te leggen, door het aanschaffen van een codenummer een krediet te openen en vervolgens een beltegoed in het systeem in te (doen) voeren, welke voorafgaand contact bij het [eiser 1]-octrooi niet vereist is doordat een beltegoed bij voorbaat aan bepaalde nummers is verbonden. Het hof heeft een dergelijke dwingende volgorde in de beschrijving van het [A]-octrooi niet gelezen. Het was daarentegen van oordeel dat het onderscheid daarin is gelegen dat bij het [A]-octrooi eerst telefonisch contact moet worden gezocht met een externe organisatie en vervolgens het codenummer moet worden ingetoetst, gevolgd door het gewenste abonneenummer, en dat volgens het [eiser 1]-octrooi kan worden volstaan met het kiezen van het codenummer, gevolgd door het gewenste abonneenummer.

3.4.1 Onderdeel 1 keert zich met een reeks klachten tegen de uitleg die het hof aan het octrooi en aan het [A]-octrooi heeft gegeven. De onderdelen 1.1.2-1.1.8 missen feitelijke grondslag, nu daarin wordt betoogd dat uit 's hofs uitleg van het [A]-octrooi volgt dat het in wezen gelijk is aan het [eiser 1]-octrooi. Het hof heeft immers (in rov. 13) anders geoordeeld. Het heeft in rov. 11-12 het verweer van Gnanam c.s. gehonoreerd dat zij slechts de stand van de techniek (belichaamd in het [A]-octrooi) toepassen, hetgeen meebrengt dat de inbreukvordering niet kan worden toegewezen. Daarmee heeft het, anders dan onderdeel 1.1.4 wil, niet geoordeeld, ook niet impliciet, dat het [eiser 1]-octrooi en het [A]-octrooi van elkaar verschillen, en het heeft dat ook niet behoeven te doen, nu het niet had te oordelen over de vraag of de werkwijze van het [eiser 1]-octrooi nieuw was. Voorts heeft het hof in rov. 13 - in zoverre ten overvloede - geoordeeld dat die werkwijze, dus ook los daarvan, niet beantwoordt aan het [eiser 1]-octrooi, en dus niets overwogen omtrent het toepassen door Gnanam c.s. van de stand van de techniek. De klachten 1.2.1-1.2.5 nemen - terecht - tot uitgangspunt dat het hof bij zijn uitleg van het octrooi gebonden was aan de zienswijze die de octrooiverlenende instantie (het EOB) blijkens het octrooischrift had op de relevante stand van de techniek. Dat is door het hof evenwel niet miskend. In het bijzonder mist feitelijke grondslag de klacht in onderdeel 1.2.3 dat het hof heeft geoordeeld dat op het punt van het beoogde doel het [eiser 1]-octrooi niet verschilt van het [A]-octrooi. Naar hiervoor in 3.3.2 is overwogen, heeft het hof immers wel een voordeel onderkend dat het systeem van het [eiser 1]-octrooi bezit ten opzichte van het [A]-octrooi. Evenmin snijdt hout de klacht (in onderdeel 1.2.4) dat het hof niet tot uitgangspunt heeft genomen wat in de beschrijving van het [eiser 1]-octrooi over de verschillen met het [A]-octrooi is vermeld. Het hof heeft hetgeen dienaangaande in het octrooischrift is vermeld - kolom 1, regels 35-53, kolom 3, regels 33-41 - opgevat als weergegeven hiervoor in 3.3.2. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen namens [eiser] c.s. daaromtrent in andere zin in de feitelijke instanties is bepleit. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de beschrijving van het [eiser 1]-octrooi, met name op het punt van de nadelen van het [A]-octrooi en de wijze waarop het [eiser 1]-octrooi beoogt daaraan tegemoet te komen, summier is.

3.4.2 Onderdeel 2 behelst een motiveringsklacht tegen de in rov. 7 door het hof gegeven beschrijving van de werkwijze van het [A]-octrooi, in het bijzonder tegen de vertaling van de woorden 'The credited amount is stored in a memory at the special central office' met: '(...) was (...) opgeslagen', in plaats van: 'wordt opgeslagen', nu daarin besloten ligt dat het beltegoed en de daaraan gekoppelde cijfercombinatie ook volgens het [A]-octrooi reeds in de computer kunnen zijn ingevoerd voordat de betaling wordt verricht, terwijl dat, naar [eiser] c.s. in de feitelijke instanties hebben betoogd, geen deel uitmaakte van het [A]-octrooi en nu juist door het [eiser 1]-octrooi is geïntroduceerd. Dit onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft met de gewraakte formulering niet tot uitdrukking gebracht hetgeen het onderdeel daarin leest. Blijkens rov. 12 heeft het hof bij zijn uitleg van het [A]-octrooi immers geoordeeld dat de beschrijving daarvan niet een dwingende volgorde van de verschillende handelingen - aanschaffen codenummer, openen krediet, invoeren codenummer en krediet in de computer - vermeldt. Dat oordeel is, naar hiervoor in 3.4.1 is overwogen, niet onbegrijpelijk.

3.4.3 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 12. De rechtsklacht van dit onderdeel (3.2) houdt in dat het hof ten onrechte zijn oordeel over de uitleg van het [A]-octrooi heeft gebaseerd op de beschrijving van dat octrooi, in plaats van op de conclusies, verstaan in het licht van die beschrijving, althans in zijn beoordeling die beschrijving zwaarder heeft laten wegen dan de conclusies. Deze klacht mist feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden. Het hof heeft geoordeeld dat de conclusies van het [A]-octrooi, waarvan het in rov. 12 de eerste met zoveel woorden heeft besproken, geen dwingende chronologische volgorde voorschrijven van de beschreven handelingen en heeft zich, overeenkomstig hetgeen art. 69 EOV en art. 53 lid 2 ROW 1995 voor de bepaling van de beschermingsomvang voorschrijven, vervolgens georiënteerd op de beschrijving van dat octrooi, waarin het evenmin een dwingende volgorde van de handelingen heeft gelezen.

De motiveringsklachten richten zich tegen de uitleg die het hof op het punt van het ontbreken van een chronologische volgorde aan die beschrijving van het [A]-octrooi heeft gegeven. Voor zover die klachten zich richten tegen hetgeen het hof omtrent de vraag naar de chronologie van de stappen in het [eiser 1]-octrooi heeft overwogen, kunnen zij niet tot cassatie leiden, omdat de desbetreffende overwegingen van het hof ten overvloede zijn gegeven en de beslissing dus niet dragen. Voor het overige stuiten de klachten af op hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen.

Onderdeel 3.3 bouwt voort op onderdeel 2 en moet het lot daarvan delen.

3.4.4 Onderdeel 4 keert zich met een motiveringsklacht tegen de overweging van het hof (in rov. 6) dat bij de werkwijze van het [eiser 1]-octrooi het 'geheime' nummer (dat op de dragers aan het publiek wordt verkocht) een telefoonnummer is. Betoogd wordt dat het hof is voorbijgegaan aan de uitvoerige betwisting door [eiser] c.s. in de feitelijke instanties van de stelling van Gnanam c.s. dat het doel van het octrooi van [eiser 1] was het combineren van het achtereenvolgens kiezen van het telefoonnummer van de speciale centrale en van het geheime codenummer (gevolgd door het kiezen van het gewenste abonneenummer) en aan het betoog van [eiser] c.s. dat in hun octrooi die drie stappen evenzeer moeten worden doorlopen. Deze klacht faalt. Het hof heeft, blijkens rov. 13, het onderscheid tussen de beide octrooien gelegen geacht in de bij het [A]-octrooi, anders dan bij het [eiser 1]-octrooi, bestaande noodzaak eerst contact te zoeken met een externe organisatie, alwaar de vervolgens in te voeren code en het bijbehorende tegoed worden gecontroleerd. Het hof heeft de andersluidende stelling van [eiser] c.s. dus wel onderzocht, doch verworpen, waarbij de bestreden passage in rov. 6 geen zelfstandige rol heeft vervuld. Onbegrijpelijk is die verwerping niet, gelet op hetgeen het octrooi in conclusie 1 als stap (a) beschrijft - 'programming a (...) PABX to become toll-free accessible for incoming calls through dialling any one out of a series of predetermined numbers, stored in a data-bank of the PABX', met welke nummers de 'geheime' nummers worden bedoeld - en, in dezelfde geest, als 'summary' van de uitvinding vermeldt (kolom 2, regels 7-20).

3.4.5 Onderdeel 5 behelst een rechtsklacht en motiveringsklachten tegen hetgeen het hof in rov. 13 heeft overwogen. Onderdeel 5.1.1 bouwt voort op onderdeel 4 en moet daarom het lot daarvan delen. De onderdelen 5.1.2 en 5.1.3 behelzen de klacht dat het hof het van [eiser] c.s. afkomstige bewijsaanbod en de uitnodiging een deskundigenbericht in te winnen op het punt van de door [eiser] c.s. gestelde technische onmogelijkheid van de door Gnanam c.s. voorgestane uitleg van het [eiser 1]-octrooi heeft gepasseerd. Deze klachten falen. Het door [eiser] c.s. bedoelde bewijsaanbod is ongespecificeerd, zodat het hof daaraan reeds om die reden kon voorbijgaan, zoals het heeft gedaan. Het stond het hof voorts, als rechter die over de feiten oordeelt, vrij te beslissen of het aan deskundige voorlichting behoefte had. Dat oordeel leent zich niet voor toetsing in cassatie.

De onder 5.2 gerangschikte onderdelen klagen over 's hofs oordeel dat de door Gnanam c.s. toegepaste werkwijze 'voorbereidend contact' vereist 'met een externe organisatie (te weten Gnanam c.s. zelf), iets wat de geoctrooieerde werkwijze juist beoogt te vermijden'. De klachten luiden dat met het begrip 'externe organisatie' in het octrooi - welk begrip uitgelegd dient te worden met behulp van het octrooi zelf - iets anders wordt bedoeld, te weten de organisatie waarmee een transactie kan worden gesloten voordat kan worden gebeld, dat door [eiser] c.s. in grief V is betoogd dat Gnanam c.s. geen 'externe organisatie' in de zin van het octrooi kan zijn en dat het oordeel voorts onverenigbaar is met de eerste volzin van rov. 8. Voor zover het onderdeel aankondigt mede rechtsklachten te omvatten, voldoen die niet aan de eis van art. 407 lid 2 Rv. Ook de motiveringsklachten falen. In de eerste plaats verdient opmerking dat, anders dan het onderdeel wil, het octrooi de term 'externe organisatie' niet kent. Het spreekt slechts van 'preparatory steps, mostly via credit card companies' (kolom 1, regel 44) en 'previous connection with any kind of organization, be it the telephone and/or credit card companies' (idem, regel 51-53). Het hof, gesteld voor de taak uit te leggen wat het octrooi bedoelt met deze voorafgaande stap, resp. dit voorafgaande contact, waaromtrent het octrooischrift geen nadere informatie behelst, heeft de in rov. 13 neergelegde uitleg van het octrooi voor de juiste gehouden en daarmee het andersluidende betoog van [eiser] c.s. (in grief V) verworpen. In het licht van hetgeen in die grief is aangevoerd en het eerder vermelde summiere karakter van de beschrijving van het octrooi, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en is de daartoe gebezigde motivering niet ontoereikend. Dat er geen functioneel verschil bestaat tussen de in rov. 13 door het hof beschreven werkwijze van het [eiser 1]-octrooi en de door Gnanam c.s. gehanteerde methode, zoals het onderdeel aanvoert, behoefde het hof niet te weerhouden van zijn, op de beschrijving van het octrooi zelf gebaseerde, uitleg.

De klachten van onderdeel 5.3 zijn gericht tegen de laatste twee zinnen van rov. 13. Nu de beslissing van het hof dat van inbreuk geen sprake is reeds kan steunen op de daaraan voorafgaande overwegingen, die blijkens het vorenoverwogene tevergeefs zijn bestreden, kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden.

3.4.6 Onderdeel 6 is gericht tegen het aan het slot van rov. 15 neergelegde oordeel dat Gnanam c.s. zich ook niet schuldig maken aan indirecte octrooi-inbreuk. Het houdt slechts de motiveringsklacht in dat onbegrijpelijk is dat het hof de door Gnanam c.s. gebezigde kraskaart niet als een essentiële maatregel - waarmee kennelijk is bedoeld: een middel betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding, als bedoeld in art. 73 lid 1 ROW 1995 - heeft aangemerkt. Nu van indirecte octrooi-inbreuk slechts sprake is indien een dergelijk middel wordt aangeboden of geleverd voor de toepassing van de geoctrooieerde uitvinding en het hof de werkwijze van Gnanam c.s. niet-inbreukmakend heeft geoordeeld, missen [eiser] c.s. belang bij dit onderdeel.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Gnanam c.s. begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 januari 2006.