Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU2399

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
C04/122HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU2399
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AP0214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; gemeenschap van vruchten en inkomsten; vergoedingsrechten; geen afwijking van gewone regel van bewijslastverdeling (art. 150 Rv); bij ontoereikend gemeenschapvermogen kan helft vordering worden verhaald op privé-vermogen andere (voormalige) echtgenoot; geen uitzondering op nominaliteitsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 17
NJ 2006, 60
RN 2006, 16
RvdW 2006, 84
JWB 2006/12
JPF 2006/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 januari 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/122HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. E. Grabandt en mr. J.P. Heering.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 2 maart 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te Zutphen. Na vermeerdering van eis en voorzover in cassatie van belang heeft de vrouw gevorderd de man te veroordelen tot restitutie aan haar van de aan haar vermogen onttrokken bestanddelen, te stellen op ƒ 694.501,--, alsmede tot verrekening van haar investeringen in de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] met bepaling van de rechten van partijen conform art. 7 van de huwelijkse voorwaarden, alsmede tot vergoeding van het door haar geleden nadeel, het bedrag op te maken bij staat en te vereffenen overeenkomstig de wet.

De man heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van ƒ 664.786,50 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vrouw heeft de vordering in reconventie bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 21 maart 1996 op 2 mei 1996 gehouden comparitie van partijen en een tussenvonnis van 11 december 1997, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 2 juli 1998 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating zijdens de vrouw zoals in rov. 9.1 van dit vonnis is overwogen.

Tegen laatstgenoemd vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij tussenarrest van 14 december 1999 heeft het hof het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar die rechtbank.

Hierna heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 25 januari 2001, in conventie en in reconventie, een comparitie van partijen gelast welke heeft plaatsgevonden op 28 maart 2001 en is voortgezet op 11 februari 2002.

Bij eindvonnis van 29 augustus 2002 heeft de rechtbank, in conventie en in reconventie, de man veroordeeld aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 13.613,40 en hetgeen meer of anders is gevorderd afgewezen.

Tegen de tussenvonnissen van 2 juli 1998 en 25 januari 2001 en tegen het eindvonnis van 29 augustus 2002 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 13 januari 2004 heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van het door de rechtbank op 2 juli 1998 gewezen tussenvonnis en voorts de vonnissen van 25 januari 2001 en 29 augustus 2002 bekrachtigd.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen zowel het tussenarrest van 14 december 1999 alsmede het eindarrest van 13 januari 2004 van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de vrouw mede door mr. L. van Hoppe, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot afdoening in voege als onder 25 van de conclusie is vermeld.

De advocaat van de man heeft bij brief van 21 september 2005 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 1 oktober 1952 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van de rechtbank te Zutphen van 11 april 1996 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is op 9 december 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als gevolg waarvan het huwelijk toen is ontbonden.

(ii) Voor zover in cassatie van belang luiden de huwelijkse voorwaarden van partijen als volgt:

"art. 1. Er zal tussen de echtgenoten alleenlijk bestaan gemeenschap van vruchten en inkomsten, zodat de wettelijke algehele gemeenschap van goederen en die van winst en verlies uitdrukkelijk zijn uitgesloten.

art. 2. De gemeenschap bestaat alleen uit verkregen winsten. Voor winst wordt gehouden de vermeerdering der bij de huwelijksvoltrekking aanwezige bezittingen der echtgenoten, staande de gemeenschap opgekomen uit de vruchten en opbrengsten van ieders goederen, arbeid en vlijt, uit lijfrenten, periodieke makingen en uitkeringen.

art. 3. Voor winst wordt niet gehouden hetgeen een der echtgenoten bij erfenis, making of schenking verkrijgt, rijzing van de waarde van de bezittingen van een der echtgenoten, vermeerdering in waarde en verbetering van de onroerende bezittingen van een der echtgenoten door aanwas, aanspoeling vertimmering of op andere wijze ontstaan.

art. 4. De vrouw blijft in het bezit van - en heeft de beschikking over de zaken die door haar ten huwelijk zijn aangebracht en staande het huwelijk zullen verkregen worden.

art. 7. De ten huwelijk aangebrachte en later verkregen zaken worden bij de scheiding der goederen of op het tijdstip dat ieders rechten moeten worden uitgemaakt teruggenomen. Wanneer die van de vrouw niet meer aanwezig zijn zonder door wederbelegging te zijn vervangen door andere, worden de daarvoor ontvangen gelden teruggenomen.

(iii) De voormalige echtelijke woning "[A]" te [woonplaats] is in 1952 herbouwd en staat op naam van de man.

(iv) In 1974 hebben partijen de besloten vennootschap "[B] B.V." (verder ook: de B.V.) opgericht, waarin de ondernemingsactiviteiten met betrekking tot een hengstendekstation zijn ondergebracht. De man en de vrouw bezaten elk 50% van de aandelen en waren beiden directeur van de B.V. De B.V. heeft grote verliezen geleden. In 1987 is het besluit tot ontbinding genomen en in 1991 is de vennootschap geliquideerd.

3.2.1 In eerste aanleg hebben de vrouw in conventie en de man in reconventie de onder 1 vermelde vorderingen tegen elkaar ingesteld. De vordering van de vrouw strekt kort gezegd tot restitutie van aan haar vermogen onttrokken bestanddelen en verrekening van haar investeringen in de voormalige echtelijke woning te [woonplaats]. De vordering van de man strekt tot restitutie van bedragen die hij heeft uitgegeven tot instandhouding van het vermogen van de vrouw.

3.2.2 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 juli 1998 overwogen dat het geraden voorkwam een deskundige te benoemen om te rapporteren over een aantal in dat vonnis genoemde vraagpunten. Zij heeft de zaak naar de rol verwezen teneinde, kort gezegd, partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over andere vragen aan de deskundige en opgave te doen met betrekking tot een aantal gegevens omtrent hun privé-vermogens en het gemeenschapsvermogen.

3.2.3 Tegen dit tussenvonnis heeft de vrouw tussentijds hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 14 december 1999 (hierna: het tussenarrest) heeft het hof de grieven van de vrouw tegen het tussenvonnis verworpen, dit vonnis bekrachtigd en de zaak naar de rechtbank verwezen ter verdere afdoening.

3.2.4 Na doorprocederen in eerste aanleg en een ingevolge het tussenvonnis van de rechtbank van 25 januari 2001 gehouden comparitie, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 29 augustus 2002 de vordering van de vrouw gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. De vordering van de man heeft zij afgewezen.

3.2.5 De vrouw is vervolgens in hoger beroep gegaan andermaal tegen het eerdergenoemde tussenvonnis van 2 juli 1998 alsmede tegen de beide in hiervoor in 3.2.4 genoemde vonnissen.

Bij arrest van 13 januari 2004 (hierna: het eindarrest) heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 2 juli 1998, en de vonnissen van 25 januari 2001 en 29 augustus 2002 bekrachtigd.

3.2.6 Het cassatieberoep van de vrouw richt zich zowel tegen het tussenarrest als tegen het eindarrest van het hof. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel - onderdeel 1 bevat alleen een inleiding - bestrijdt met een aantal klachten het tussenarrest. De klachten van onderdeel 3 vallen het eindarrest aan.

3.3.1De vrouw heeft in het tussentijds hoger beroep dat heeft geleid tot het tussenarrest van het hof, zich gekeerd tegen de beslissingen van de rechtbank in rov. 7 van het tussenvonnis van 2 juli 1998 met betrekking tot twee, door de rechtbank met de letters (b) en (c) aangeduide, onderdelen van de vordering van de vrouw, te weten restitutie van:

(b) de opbrengsten van de verkoop van grond aan respectievelijk Rijkswaterstaat in 1973, [betrokkene 1] in 1984 en [betrokkene 2] in 1985, welke opbrengsten waren gestort op een ten name van de man staande bankrekening, en

(c) de opbrengst van de verkoop van grond aan de gemeente Enschede in 1979, welke opbrengst is gestort op de bankrekening van de B.V.

3.3.2 De rechtbank heeft dienaangaande in rov. 7 van haar tussenvonnis overwogen:

"Met betrekking tot de onder b. en c. weergegeven vorderingen is de rechtbank van oordeel dat de opbrengsten van de goederen van de vrouw niet in haar privévermogen zijn gebleven maar zijn gevloeid in de gemeenschap, immers gesteld noch gebleken is dat de onderhavige bankrekeningen tot het privé-vermogen van de man behoorden zodat deze in de gemeenschap vielen. Daarom heeft [de vrouw] recht op vergoeding uit de gemeenschap. Zij heeft echter ingeval de gemeenschap ontoereikend is geen vordering op [de man] omdat uit haar stellingen blijkt dat zij zelf deze goederen heeft verkocht zodat niet gezegd kan worden dat [de man] deze goederen van [de vrouw] heeft bestuurd."

3.3.3 De vrouw heeft met haar eerste grief in het tussentijds hoger beroep deze overweging bestreden. In de memorie van grieven van 13 oktober 1998 heeft de vrouw in de toelichting op deze grief in de eerste plaats aangevoerd dat de hiervoor genoemde opbrengsten in het privé-vermogen van de man zijn gevloeid. Verder heeft de vrouw aangevoerd: 'Voor zover zou worden aangenomen dat de opbrengsten wel in de gemeenschap zijn gevallen, hetgeen dus door [de vrouw] wordt bestreden, zal [de man] toch verantwoording moeten afleggen omtrent de aanwending van deze opbrengsten. Bij ontoereikendheid tot vergoeding uit de gemeenschap, waarvan overigens sprake is, ontstaat een vordering van [de vrouw] op [de man].'

Het hof heeft de grief verworpen en daartoe in zijn tussenarrest het volgende overwogen:

"5.1Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de vorderingen van de vrouw met betrekking tot (a) de verkoop van grond aan Rijkswaterstaat in 1973, aan [betrokkene 1] in 1984 en aan [betrokkene 2] in 1985 en (b) de verkoop van grond aan de gemeente Enschede in 1979. Tussen partijen staat vast dat de opbrengst van de onder (a) bedoelde gronden is gestort op een ten name van de man staande bankrekening en dat de opbrengst van de onder (b) bedoelde grond is gestort op een ten name van de besloten vennootschap [B] B.V. - van welke vennootschap, die in 1991 is geliquideerd, beide partijen 50% van de aandelen bezaten en beiden statutair directeur waren - staande bankrekening is gestort.

5.2 In hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat de opbrengst van de hiervoor bedoelde gronden is terechtgekomen in het privé-vermogen van de man. Die stelling faalt met betrekking tot de opbrengst van de in 1979 aan de gemeente Enschede verkochte grond. Het feit dat de opbrengst van die grond is gestort op een rekening van de onder 5.1 genoemde vennootschap wettigt immers zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet de conclusie dat deze in het privé-vermogen van de man is terechtgekomen.

5.3 Ook met betrekking tot de opbrengst van de andere gronden is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat die in het privé-vermogen van de man is gevloeid. Zoals hij terecht heeft aangevoerd, heeft de vrouw immers zelf ter comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard dat de partijen een gezamenlijke bankrekening hadden waarop alle inkomsten werden gestort en dat zij met die bankrekening een op naam van de man staande rekening bedoelde waartoe zij gemachtigd was. Daar komt nog bij dat de tenaamstelling van die bankrekening weliswaar een recht van de man op afgifte van het saldo tegenover de bank meebracht, maar - ook zonder machtiging van de vrouw - niet impliceerde dat dat saldo behoorde tot het privévermogen van de man.

5.4 Het hof is verder van oordeel dat het feit dat de vrouw de onder 5.1 bedoelde gronden zelf heeft verkocht, betekent dat zij die goederen ook zelf heeft bestuurd. Gesteld noch gebleken is dat de man de opbrengst van die goederen indertijd in strijd met de wil van de vrouw heeft doen storten op de onder 5.1 genoemde bankrekeningen. Integendeel, ter gelegenheid van de pleidooien is namens de vrouw aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het aanwijzen van een bestemming voor de opbrengst.

5.5 Mede in het licht van het voorgaande had het op de weg van de vrouw gelegen feiten en omstandigheden te stellen die meebrengen dat de man rekenplichtig jegens haar is. Nu zij dit niet heeft gedaan, is het hof, anders dan de vrouw, van oordeel dat de man niet gehouden is tot het afleggen van (rekening en) verantwoording omtrent de aanwending van de in de gemeenschap terechtgekomen gelden. Overigens heeft de vrouw aan die stelling geen daarop toegespitste vordering - namelijk tot het afleggen van rekening en verantwoording - verbonden. Het voorgaande geldt ook voor de opbrengst die is terechtgekomen in het vermogen van de onder 5.1 genoemde vennootschap, waarvan beide partijen statutair directeur waren. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de in het vonnis waarvan beroep onder 7.5 sub a en sub b [het hof bedoelt kennelijk: sub b en sub c] bedoelde vorderingen van de vrouw dan ook terecht niet toewijsbaar geacht."

3.4.1 De onderdelen 2.1 tot en met 2.9 bestrijden deze oordelen met een aantal klachten.

De onderdelen 2.1 tot en met 2.4 betreffen de opbrengst van de verkoop aan de gemeente Enschede.

3.4.2 Onderdeel 2.1 bevat algemeen geformuleerde klachten die in de volgende drie onderdelen worden uitgewerkt.

3.4.3 Onderdeel 2.2 betoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door eraan voorbij te zien dat de vrouw voor het uitoefenen van een vergoedingsrecht als hier aan de orde, niet hoeft aan te tonen wat er uiteindelijk met de opbrengst van de aan haar toebehorende goederen is gebeurd - dus ook niet dat die opbrengsten in het privé-vermogen van de man zijn gevloeid -, maar dat zij aanspraak kan maken op de opbrengst van deze goederen door deze 'terug te nemen' en daartoe niet meer behoeft te stellen en aannemelijk te maken dan dat bepaalde aan haar toebehorende zaken bij de scheiding niet meer aanwezig zijn en dat de opbrengst ook niet reeds in haar privé-vermogen is teruggevloeid. Waar in dit geval vaststaat dat de opbrengst op de rekening van de B.V. is gestort die is geliquideerd met de man als vereffenaar, brengt een redelijke toepassing van de uit de huwelijkse voorwaarden van partijen voortvloeiende bewijslastverdeling mee, dat de man tegenover de vordering van de vrouw zal moeten aantonen dat er bij de vereffening van de B.V. geen batig saldo overbleef waaruit de vordering van de vrouw zou kunnen worden voldaan, aldus het onderdeel.

Het onderdeel faalt. De vrouw heeft aan haar vordering en ook aan haar eerste grief in het tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank ten grondslag gelegd dat de opbrengst van de verkoop van de grond aan de gemeente Enschede in het privé-vermogen van de man is gevloeid, althans in de gemeenschap is gevallen. Het hof heeft geoordeeld dat van het een noch het ander sprake was omdat de opbrengst op de bankrekening van de B.V. is gestort. Het hof was aldus van oordeel dat de opbrengst daarom niet in het vermogen van de man of van de gemeenschap is gevloeid, omdat deze is terechtgekomen in het vermogen van de B.V. Voorts heeft het hof, met betrekking tot de door de vrouw van de man gevorderde verantwoording met betrekking tot deze opbrengst in het kader van de liquidatie van de B.V. en de vereffening van haar vermogen, kennelijk gewicht gehecht aan de omstandigheid dat de man en de vrouw in gelijke mate zeggenschap in de B.V. hadden en uit dien hoofde inzicht in haar vermogenstoestand hadden althans konden hebben. Door, met inachtneming van het kader van de onderhavige vordering van de vrouw, onder die omstandigheden te oordelen dat het aan de vrouw was om feiten en omstandigheden te stellen die zouden kunnen meebrengen dat de man als vereffenaar van de B.V. gehouden is aan de vrouw verantwoording af te leggen over het liquidatiesaldo van de B.V., maar de vrouw dat heeft nagelaten, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet op het punt van de stelplicht en de bewijslastverdeling. Anders dan het onderdeel ingang wil doen vinden, brengt, ook met betrekking tot een vordering als de onderhavige, toepassing van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 150 Rv. mee dat de bewijslast met betrekking tot de grondslag van de vordering op de eiser (hier: de vrouw) rust, terwijl geen grond bestaat voor het aannemen van een bijzondere regel van stelplicht en bewijslastverdeling als door het onderdeel voorgesteld.

3.4.4 De onderdelen 2.3 en 2.4 berusten op het uitgangspunt dat naar het oordeel van het hof de opbrengst van de verkoop aan de gemeente Enschede in de gemeenschap is gevallen. Dit uitgangspunt berust, zoals blijkt uit het voorgaande, op een verkeerde lezing van het tussenarrest, zodat de onderdelen niet tot cassatie kunnen leiden.

3.4.5 De onderdelen 2.5 tot en met 2.9 bevatten klachten tegen de oordelen van het hof in rov. 5.3 - 5.5 van zijn tussenarrest met betrekking tot de opbrengst van de verkoop van gronden aan onderscheidenlijk Rijkswaterstaat, [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

3.4.6 De klachten van onderdeel 2.5 - dat grotendeels inleidend van karakter is - hebben naast die van de volgende onderdelen geen zelfstandige betekenis.

3.4.7 De onderdelen 2.6 en 2.7 falen omdat zij berusten op de ook aan onderdeel 2.2 ten grondslag liggende opvatting met betrekking tot de stelplicht en de bewijslast van de vrouw, die hiervoor aan het slot van 3.4.3 reeds onjuist is bevonden.

3.4.8 Onderdeel 2.8 bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof de aard en werking van de huwelijkse voorwaarden heeft miskend, waar het heeft aangenomen dat het aanhouden van een 'gezamenlijke bankrekening' kan leiden tot het in de gemeenschap van vruchten en inkomsten vallen van de daarop gestorte bedragen. Voorts bevat het onderdeel de klacht dat voorzover het hof zou hebben geoordeeld dat de onderhavige opbrengsten als inkomsten van de vrouw moeten worden aangemerkt, dit oordeel rechtens onjuist is nu deze niet als winst in de zin van de huwelijkse voorwaarden zijn aan te merken, en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.

Deze klachten falen. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat, nu de partijen een gezamenlijke bankrekening hadden waarop alle inkomsten werden gestort en ingevolge art. 2 van de huwelijkse voorwaarden die inkomsten van partijen tot de daar genoemde winsten behoorden, partijen de bedoeling hadden dat het saldo van die rekening behoorde tot het gemeenschapsvermogen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van hetgeen waaruit een gemeenschap van vruchten en inkomsten kan bestaan en is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de huwelijkse voorwaarden van partijen dienaangaande bepalen, waarvan de uitleg aan het hof als feitenrechter is voorbehouden.

Overigens heeft het hof met dit oordeel, anders dan het onderdeel blijkbaar tot uitgangspunt neemt, niet miskend dat de onderhavige opbrengsten niet als winsten waren te beschouwen in de zin van art. 2 van de huwelijksvoorwaarden en evenmin miskend dat de vrouw, nu de gelden van die opbrengsten door storting op de genoemde rekening tot het gemeenschapsvermogen zijn gaan behoren, daarom jegens de gemeenschap een recht op vergoeding (reprise) heeft.

Voorzover het onderdeel voorts berust op het uitgangspunt dat het hof zou hebben aangenomen dat de onderhavige opbrengsten in een afzonderlijke gemeenschap 'ad hoc' tussen de man en de vrouw zouden zijn gevallen, kan het niet tot cassatie leiden omdat het hof dat niet heeft aangenomen.

3.4.9 Onderdeel 2.9 van het middel klaagt, kort samengevat, dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van de vrouw, dat bij ontoereikendheid van het gemeenschapsvermogen om haar vordering te voldoen, zij een vordering op de man heeft, dat voor zover het hof die stelling impliciet heeft verworpen, die beslissing rechtens onjuist is, en dat als het hof heeft geoordeeld dat die stelling niet in de grieven valt te lezen, zijn beslissing, gelet op wat de vrouw met en ter toelichting op haar eerste grief in haar tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank heeft gesteld, onbegrijpelijk is.

Deze klachten nemen terecht tot uitgangspunt dat een (voormalige) echtgenoot die een vordering tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap van hem toekomende goederen heeft en die vordering, wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, niet of slechts gedeeltelijk kan verhalen op de gemeenschap, de helft van hetgeen hij niet op de gemeenschap heeft kunnen verhalen, kan verhalen op het privé-vermogen van de andere (voormalige) echtgenoot.

Nu het hof, gelijk ook het onderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft vastgesteld dat de hier aan de orde zijnde opbrengsten in de gemeenschap zijn gevallen, had het hof de genoemde stelling van de vrouw dienen te behandelen. Indien het hof die stelling niet in de desbetreffende grief van de vrouw heeft gelezen, is dat in het licht van de toelichting op die grief, onbegrijpelijk. Heeft het hof die stelling wel in die grief gelezen, maar was het van oordeel dat die stelling niet opging, dan heeft het hetzij het hiervoor genoemde uitgangspunt miskend hetzij, indien het van oordeel was dat die rechtsregel in dit geval geen toepassing kon vinden, zijn arrest niet naar behoren gemotiveerd, nu hetgeen het hof in rov. 5.5 overweegt geen genoegzame weerlegging van die stelling inhoudt.

Het onderdeel slaagt dus.

3.4.10 Onderdeel 2.10 klaagt over rov. 5.9 van het tussenarrest van het hof. Die overweging betreft de vergoeding waarop de vrouw aanspraak maakt ter zake van de door haar verstrekte gelden in verband met de herbouw van de op naam van de man staande voormalige echtelijke woning [A]. Met haar derde grief in het tussentijds hoger beroep keerde de vrouw zich tegen de beslissing van de rechtbank dat de vrouw geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man kan volstaan met de enkele teruggave van het destijds ter beschikking gestelde bedrag, zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de woning. Het hof heeft die grief verworpen. Het nam daartoe als uitgangspunt - door het onderdeel terecht niet bestreden - dat het vergoedingsrecht waarop de vrouw zich baseert strekt tot terugbetaling van een bedrag gelijk aan het bedrag dat zij destijds ter beschikking heeft gesteld (het zgn. nominaliteitsbeginsel). Het hof was van oordeel dat in dit geval daarop geen uitzondering dient te worden gemaakt, reeds omdat de door de vrouw ter beschikking gestelde gelden niet zijn gebruikt voor de aankoop van de woning maar voor aflossing van een daarop rustende hypotheek en herbouw van de woning, waarbij nog kwam dat de man en zijn moeder in verband met de (her)bouwkosten van [A] een overheidssubsidie van ruim ƒ 54.000,-- hebben ontvangen. Dat [A] alleen en uitsluitend kon worden herbouwd dankzij de bijdragen van de vrouw, zoals zij heeft gesteld, is daarmee dan ook onjuist gebleken, aldus het hof.

Het onderdeel noemt deze beslissing rechtens onjuist voorzover zij is gestoeld op de zienswijze van het hof dat voor toepassing van de 'billijkheidscorrectie à la Kriek/Smit' - met welk laatste het onderdeel bedoelt de in HR 12 juni 1987, nr. 12939, NJ 1988, 150 neergelegde, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende uitzondering op het nominaliteits- beginsel - uitsluitend plaats zou zijn indien de echtgenoot die aanspraak maakt op een vergoedingsrecht in verband met financiering van aan de andere echtgenoot toebehorende goederen, (a) die goederen geheel of nagenoeg geheel heeft gefinancierd en wel (b) door middel van voldoening van de initiële koopsom en dus niet door aflossing van een hypothecaire lening waarmee de koopsom en de verbouwing zijn bekostigd. In onderdeel 2.11 wordt deze klacht aangevuld met een motiveringsklacht.

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.

De zienswijze die het onderdeel aan het hof toeschrijft, heeft het hof niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat, nu wat de vrouw ter onderbouwing van haar aanspraak had gesteld, te weten dat [A] alleen en uitsluitend kon worden herbouwd dankzij haar bijdragen, onjuist is gebleken, en daarentegen vaststond dat zowel de vrouw als de man in de herbouwkosten hadden bijgedragen - de man door middel van de door hem en zijn moeder ontvangen subsidie -, er onvoldoende grond was voor het aannemen van een uitzondering op het nominaliteitsbeginsel. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting ten aanzien van de toepassing van de genoemde uitzondering op het nominaliteitsbeginsel. Het heeft zijn oordeel bovendien voldoende gemotiveerd.

3.5 Onderdeel 3 richt zich tegen verschillende oordelen in het eindarrest van het hof.

Onderdeel 3.1 mist zelfstandige betekenis naast de klachten van onderdeel 2.

De in de onderdelen 3.2 tot en met 3.8 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6 Het slagen van onderdeel 2.9 brengt mee dat het tussenarrest en het daarop voortbouwende eindarrest niet in stand kunnen blijven en dat verwijzing zal moeten volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof te Arnhem van 14 december 1999 en 13 januari 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 januari 2006.