Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AT8198

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
40417
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AT8198
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2003:AK3814
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belastingvrije som bij toepassing van het Belastingverdrag Nederland-België. Strijd met EG-Verdrag?

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/218 met annotatie van I.J.J. Burgers
FED 2006/46
V-N 2006/14.13 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.417

13 januari 2006

ABTIK

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 juni 2003, nr. 02/01612, betreffende na te melden aan X te Z (België) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot op ƒ 26.695.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot op ƒ 26.248. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en het incidentele beroep in cassatie beantwoord.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 mei 2005 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep, ongegrondverklaring van het incidentele beroep en vernietiging van de uitspraak van het Hof.

3. De ontvankelijkheid van het principale beroep

Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift de ontvankelijkheid van het door de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie betwist op de grond dat het desbetreffende beroepschrift niet tijdig bij het Hof is ingediend. De uitspraak van het Hof is aan partijen verzonden op 20 juni 2003. Blijkens een door de griffier van het Hof op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening is dit per fax bij het Hof ingediend op 1 augustus 2003. Hieruit volgt dat van overschrijding van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde indieningstermijn van zes weken geen sprake is. Ook anderszins is niet gebleken van een grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het principale beroep in cassatie.

4. Uitgangspunten in cassatie

4.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds augustus 1998 in België. In het onderhavige jaar, 1999, was belanghebbende in Nederland werkzaam als ambtenaar bij A. Hij genoot uit dien hoofde een loon van ƒ 70.702. Daarnaast genoot hij een bedrag van ƒ 12.777 aan rente-inkomsten uit Nederland. Belanghebbende heeft over zijn inkomen in 1999 geen belasting betaald in België.

4.2.1. Voor het Hof was in geschil of voor de toepassing van artikel 11, par. 2, van het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Belastingverdrag) de rente-inkomsten moeten worden verminderd - zoals belanghebbende betoogde - met het van Nederlandse belasting vrijgestelde deel ter grootte van ƒ 2000 (de rentevrijstelling) en of de rente-inkomsten - zoals de Inspecteur betoogde - mogen worden begrepen in het belastbare inkomen ter berekening van de belasting over de looninkomsten. Het Hof heeft deze geschilpunten beslist in het voordeel van de Inspecteur.

4.2.2. Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat voorzover een evenredige toerekening van de Nederlandse belasting over het gehele belastbare inkomen aan enerzijds de netto rente-inkomsten en anderzijds de overige inkomsten van belanghebbende ertoe leidt dat belanghebbendes belastingvrije som gedeeltelijk voor hem verloren gaat, het EG-Verdrag daaraan in de weg staat. Op die, ambtshalve bijgebrachte, grond heeft het Hof de aanslag verminderd.

5. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

5.1. Beoordeeld naar gemeenschapsrecht is de positie van belanghebbende die van een inwoner van België, die zijn beroepswerkzaamheden verricht in een andere lidstaat (Nederland) en opbrengst geniet van in die andere lidstaat geïnvesteerd of belegd kapitaal. De omstandigheid dat belanghebbende ingevolge artikel 2, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) wegens zijn dienstbetrekking met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon voor de toepassing van de Wet geacht wordt in Nederland te wonen, doet aan eerstbedoelde positie niet af.

5.2. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, Jurispr. blz. I-225, BNB 1995/187, volgt dat wanneer een lidstaat, in dit geval Nederland, een niet-ingezetene als belanghebbende niet in aanmerking brengt voor bepaalde belastingvoordelen, zoals de belastingvrije som, zulks geen door het EG-Verdrag verboden discriminatie oplevert. Dit is volgens evengenoemd arrest anders indien de niet-ingezetene zijn inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerft door in de werkstaat verrichte arbeid en in de woonstaat onvoldoende inkomsten geniet om aldaar aan een belastingheffing te worden onderworpen, waarbij rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie.

Belanghebbende verkeert als inwoner van België niet in die uitzonderingssituatie, nu in het onderhavige jaar zijn rente-inkomsten ten bedrage van ƒ 12.777 door België kunnen worden belast en niet gesteld of gebleken is dat dit deel van zijn totale inkomsten (circa 15 percent) onvoldoende groot is voor de toekenning door België aan hem van een fiscale tegemoetkoming, gebaseerd op zijn persoonlijke en gezinssituatie.

Uit het vorenstaande volgt dat het Hof ten onrechte uit het EG-Verdrag heeft afgeleid dat Nederland gehouden is belanghebbende in aanmerking te doen komen voor een belastingvrije som van ƒ 8799. Derhalve is Nederland ingevolge het EG-Verdrag evenmin gehouden de op de voet van artikel 11, par. 2, van het Belastingverdrag berekende belasting over het bruto-bedrag van de rente-inkomsten te verlagen - zoals het Hof heeft gedaan - met dat deel van de uit de toepassing van de belastingvrije som voortvloeiende belastingvermindering dat kan worden toegerekend aan de netto rente-inkomsten. Het middel, dat zich tegen 's Hofs op dit punt gegeven oordeel verzet, slaagt derhalve.

6. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klacht

De klacht richt zich tegen de afwijzing door het Hof van het door belanghebbende gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Gelet op het hiervoor in 5 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

8. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

9. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond;

verklaart het principale beroep van de Staatssecretaris gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2006.