Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AT6013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
C04/137HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AT6013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak; oogletstel werknemer bij ongeval met een gehuurde gebrekkig functionerende cementpomp; rechtsgeldigheid cessie door de curator in het faillissement van de werkgever van alle rechten en aanspraken uit hoofde van aansprakelijkheidsverzekering aan zijn werknemer, ontvankelijkheid van de werknemer in rechtsvordering tegen de verzekeraar, verenigbaarheid van hoedanigheden; werkgeversaansprakelijkheid, zorgplicht van een werkgever t.a.v. werktuigen en gereedschappen die van derden zijn gehuurd en naar hun aard een veiligheidsrisico meebrengen, door werkgever te treffen maatregelen en te verstrekken aanwijzingen ingeval werkgever zorg voor veiligheid aan deze werknemer als ervaren bedrijfsleider/uitvoerder overlaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 461 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
JOL 2006, 39
RAR 2006, 49
RvdW 2006, 104
S&S 2007, 118
SR 2006, 25 met annotatie van M.D. Ruizeveld
VR 2006, 157
JWB 2006/15
JAR 2006/50
JA 2006/59 met annotatie van prof. mr. F.T. Oldenhuis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/137HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. HOOGE HUYS SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster onder bijzondere titel van de vennootschap naar Zwitsers recht ZURICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT,

gevestigd te Zurich, Zwitserland,

in Nederland handelende onder de naam ZURICH SCHADE,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. ZURICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT,

gevestigd te Zurich, Zwitserland,

in Nederland handelende onder de naam ZURICH SCHADE,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Franke,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 21 juli 1999 eiseres tot cassatie sub 2 - verder te noemen: Zurich - gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd voor recht te verklaren dat All Conserving B.V. - verder te noemen: All Conserving - aansprakelijk is voor de schade welke [verweerder] ten gevolge van het bedrijfsongeval van 30 mei 1995 heeft geleden en nog zal lijden en dat Zurich gehouden is deze schade te vergoeden.

[Verweerder] heeft voorts gevorderd Zurich te veroordelen tot vergoeding van deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Zurich heeft de vorderingen bestreden.

Bij vonnis van 16 maart 2000 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen en het geding verwezen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.

Bij vonnis van 6 september 2000 heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerder] toegewezen.

Tegen dit vonnis van de rechtbank heeft Zurich hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 11 november 2003 heeft het hof in het principaal appel het vonnis van de rechtbank vernietigd doch uitsluitend voor wat betreft de veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en, opnieuw rechtdoende, de vordering tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet afgewezen. Het hof heeft voorts in het principaal appel en in het (voorwaardelijk) incidenteel appel, het vonnis voor het overige bekrachtigd met verbetering van gronden.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Zurich tezamen met eiseres tot cassatie sub 1 - verder te noemen: Hooge Huys - beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is van 28 maart 1994 tot 1 augustus 1995 in dienst geweest van All Conserving te Ridderkerk, in de functie van uitvoerder/bedrijfsleider. Zijn brutosalaris bedroeg ƒ 8.899,86 per vier weken, te vermeerderen met vakantietoeslag.

(ii) In aansluiting op zijn MTS-opleiding waterbouwkunde had [verweerder] voor zijn indiensttreding bij All Conserving diverse beton- en kunststofcursussen afgerond en diploma's gehaald. Gedurende tien jaar had hij de nodige ervaring opgedaan in vergelijkbare, leidinggevende functies bij andere bedrijven.

(iii) Op 30 mei 1995 is [verweerder] een ongeval overkomen, waarbij hij cement in het linkeroog heeft gekregen. Dit is gebeurd tijdens het gebruik van een gehuurde cementpomp, eigendom van en verhuurd door [A] B.V.

(iv) Het ongeval is veroorzaakt door de cementpomp die een gebrek vertoonde. Voorafgaand aan het ongeval had de pomp reeds enkele storingen gehad, die door [verweerder] waren verholpen. [Verweerder] droeg ten tijde van het ongeluk een (door hemzelf aangeschafte) veiligheidsbril.

(v) [Verweerder] heeft All Conserving aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.

(vi) All Conserving was ten tijde van het ongeval voor het risico van wettelijke aansprakelijkheid bij Zurich verzekerd krachtens een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven en beroepen.

(vii) Op 1 april 1997 is All Conserving in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.M. Wolfs tot curator.

(viii) Tegen een koopprijs van ƒ 16.500,--, die door [verweerder] aan de curator is betaald, zijn alle rechten en aanspraken die All Conserving uit hoofde van bovengenoemde verzekeringsovereenkomst ter dekking van de aansprakelijkheid waartoe de uitoefening van haar bedrijf aanleiding kan geven, door de curator gecedeerd aan [verweerder]. Deze cessie is bij het deze procedure inleidende exploot van dagvaarding aan Zurich betekend.

3.2 In deze procedure vordert [verweerder], voorzover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat All Conserving jegens hem aansprakelijk is voor de schade welke hij ten gevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden, en dat Zurich mitsdien gehouden is deze schade aan hem te voldoen. De aansprakelijkheid van All Conserving baseerde hij (uitsluitend) op art. 7:658 BW, die van Zurich op de hiervóór in 3.1 onder (viii) genoemde cessie.

De rechtbank heeft de genoemde vordering toegewezen, het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre bekrachtigd.

Overwegingen met betrekking tot de cessie

3.3.1 Zurich heeft in hoger beroep voor het eerst als verweer aangevoerd dat de door [verweerder] gekozen constructie om zich de rechten uit de verzekeringsovereenkomst tussen All Conserving en Zurich over te laten dragen door middel van een overeenkomst van cessie, waarbij [verweerder] vervolgens tegelijkertijd de werkgeefster wier rechten hij heeft overgenomen, aansprakelijk stelt, en tevens op basis van die aansprakelijkstelling nakoming van de verzekeringsovereenkomst door Zurich verlangt, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het hof was van oordeel dat dit niet een gedekt verweer was als bedoeld in art. 348 Rv. (rov. 3.1).

3.3.2 Het hof verwierp het verweer nochtans op de volgende gronden (rov. 3.2).

Gesteld noch gebleken is dat de cessie niet rechts-geldig is geschied. Naar het oordeel van het hof leidt het enkele feit dat [verweerder] als werknemer door de cessie is getreden in de rechten van zijn (failliete) werkgeefster All Conserving, niet tot niet-ontvankelijkheid van [verweerder] in zijn vorderingen jegens Zurich. Van een (tot niet-ontvankelijkheid leidende) onverenigbaarheid van hoedanigheden is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof wijst in dit verband op het in sommige bijzondere wetten aan de benadeelde toegekende eigen vorderingsrecht jegens de verzekeraar, waarbij een vergelijkbare vereniging van hoedanigheden kan optreden als in het onderhavige geval. Hieruit kan worden afgeleid dat een dergelijke vereniging van hoedanigheden aan een (al dan niet directe) vordering van de benadeelde op de verzekeraar van de (gestelde) schadeveroorzaker, niet in de weg staat. Voorts past de in het onderhavige geval gekozen oplossing, waarbij [verweerder] de eventuele vordering van All Conserving op haar aansprakelijkheidsverzekeraar Zurich heeft gekocht van de curator, bij de onder meer in art. 3:287 BW tot uitdrukking komende bescherming van de benadeelde in geval van faillissement van de verzekerde.

3.4 Middel III is gericht tegen de hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordelen van het hof.

Het middel bestrijdt niet 's hofs oordeel, dat gesteld noch gebleken is dat de cessie niet rechtsgeldig is geschied. Er moet dus van worden uitgegaan dat Zurich niet heeft gesteld dat de wet of de aard van het gecedeerde recht zich tegen de cessie verzet (art. 3:83 BW). Het middel wijst geen rechtsgrond aan voor de erin aangevoerde stelling dat [verweerder] niettemin zijn rechten als cessionaris niet in rechte kan afdwingen. De daarvoor door Zurich aangevoerde omstandigheid dat in de procedure met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgeefster, deze laatste zal ontkennen aansprakelijk te zijn en daartoe al het nodige zal stellen en eventueel bewijzen, terwijl de werknemer die de vordering overneemt, als werknemer juist zal willen aantonen dat de werkgeefster jegens hem aansprakelijk is, biedt onvoldoende grond voor de door Zurich bepleite niet-ontvankelijkheid.

Het hof heeft er ook terecht op gewezen dat het door Zurich bepleite standpunt ingaat tegen de ontwikkelingen in de wetgeving. Achtergrond hiervan is dat er bij aansprakelijkheidsverzekeringen een onverbrekelijk verband bestaat tussen de vordering van de benadeelde jegens de verzekerde en de vordering van de laatste jegens zijn verzekeraar. Dit maakt het uit een oogpunt van billijkheid onbevredigend, indien de benadeelde verstoken blijft van de hem toekomende schadevergoeding, terwijl de verzekeraar wel tot uitkering is gehouden. Dit heeft de wetgever in een aantal gevallen ertoe gebracht om de positie van de benadeelde te versterken, waarbij in de gevallen waarin aan de benadeelde een directe vordering op de verzekeraar is toegekend, vergelijkbare problemen voor de verzekeraar voor lief zijn genomen als waarop Zurich zich thans beroept. Deze ontwikkeling wordt voortgezet in het inmiddels op 1 januari 2006 in werking getreden artikel 7:954 BW.

Aan de kant van de verzekeraar pleit voorts tegen de stelling van Zurich dat de verzekeraar het in zijn macht heeft om in de verzekeringsvoorwaarden in vrij ver gaande mate bepalingen op te nemen om te voorkomen dat hij tot uitkering wordt genoodzaakt wanneer de verzekerde onvoldoende of geen verweer voert tegen de vordering van de benadeelde.

Op dit een en ander stuit middel III in zijn geheel af.

Overwegingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de werkgever

3.5.1 Ten aanzien van de vraag of All Conserving jegens [verweerder] aansprakelijk is, heeft het hof in rov. 5.1 vooropgesteld dat de werkgever krachtens art. 7:658 lid 1 BW onder meer verplicht is de werktuigen en gereedschappen waarmee hij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Naar het oordeel van het hof

"moet in dat verband worden aangenomen dat indien de werkgever geen gebruik maakt van eigen werktuigen en gereedschappen, maar deze huurt van een derde, op de werkgever de zorgplicht rust om, alvorens deze werktuigen en gereedschappen aan zijn werknemers ter beschikking te stellen, zich eerst ervan te vergewissen dat deze in goede staat van onderhoud verkeren en niet onveilig zijn, hetgeen eveneens meebrengt dat de werkgever daartoe voldoende aanwijzingen geeft."

Onderdeel A van middel I voert hiertegen aan dat art. 7:658 BW de werkgever noch met betrekking tot eigen materialen, noch met betrekking tot van derden gehuurde materialen een algemene, absolute, verplichting oplegt zich ervan te vergewissen dat die in goede staat van onderhoud verkeren en niet onveilig zijn. Volgens het onderdeel moet de vraag of de werkgever zijn in art. 7:658 beschreven zorgplicht heeft geschonden mede aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld en heeft het hof door zijn beslissing te baseren op een algemeen geldende plicht om gehuurde materialen op hun onderhoud en veiligheid te controleren een te ruime opvatting gehuldigd van de uit die bepaling voortvloeiende zorgplicht.

3.5.2 Wat de in art. 7:658 bedoelde zorgplicht in een concreet geval meebrengt, zal inderdaad afhangen van de omstandigheden van het geval. Dat heeft het hof in zijn door het onderdeel bestreden oordeel evenwel niet miskend. Het hof heeft daarin slechts, kennelijk in reactie op de stelling van Zurich dat All Conserving niet aansprakelijk is voor het gebrekkig functioneren van de gehuurde cementpomp omdat dit functioneren nu eenmaal niet valt onder de verplichtingen die uit art. 7:658 voortvloeien (nr. 23 van de memorie van grieven), tot uitdrukking gebracht dat de zorgplicht van de werkgever meebrengt dat hij ook ten aanzien werktuigen en gereedschappen die van derden zijn gehuurd, en de werkzaamheden met behulp daarvan, zodanige maatregelen behoort te treffen en aanwijzingen behoort te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden als gevolg van onvoldoende onderhoud en onveiligheid van die werktuigen en gereedschappen schade lijdt. Met de op de geciteerde passage volgende, in cassatie niet bestreden, precisering van het hof:

"Dit geldt in het bijzonder indien het gaat om werktuigen als de onderhavige cementpomp, die naar hun aard een veiligheidsrisico meebrengen."

heeft het hof nog benadrukt dat die zorgplicht zich met name doet gelden indien het gaat om werktuigen die naar hun aard een veiligheidsrisico meebrengen. Het bestreden oordeel van het hof geeft niet blijk van een te ruime opvatting van de uit art. 7:658 voortvloeiende zorgplicht van de werkgever. Het onderdeel is daarom ongegrond.

3.5.3 Onderdeel B van middel I berust op het uitgangspunt dat het hof in de hiervoor in 3.5.1 geciteerde passage geoordeeld heeft over de omvang van de zorgplicht van All Conserving in het onderhavige bijzondere geval en bestrijdt dat oordeel met motiveringsklachten. Dit uitgangspunt is, zoals reeds uit het voorgaande volgt, onjuist aangezien het hof in de geciteerde passage een algemeen oordeel gaf over de zorgplicht van de werkgever die werkzaamheden laat verrichten met van derden gehuurde werktuigen en gereedschappen. Dit onderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.6.1 Middel II is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.2) dat, zo [verweerder] al - gelet op zijn functie en salarisniveau - de meest geëigende persoon zou zijn geweest om de veiligheidscontrole uit te voeren, in elk geval vaststaat dat van enige aanwijzing of instructie daartoe van All Conserving aan [verweerder] geen sprake is geweest. Het enkele feit dat [verweerder] wellicht de bevoegdheid had om het apparaat te huren doet, aldus het hof, niet af aan de in rov. 5.1 genoemde zorgplicht van All Conserving. Onderdeel A van het middel veronderstelt dat het hof aanneemt dat het enkele niet-geven van instructies in een bepaald geval een schending van de zorgplicht van art. 7:658 meebrengt, ongeacht de functie van de werknemer, en klaagt dat het hof daarmee blijk geeft van een onjuiste opvatting van art. 7:658. Nu het bij de beoordeling van de eventuele zorgplichtschending gaat om alle omstandigheden van het geval, mocht het hof niet buiten beschouwing laten dat [verweerder] als leidinggevende, althans als ervaren deskundige medewerker juist degene was die binnen het bedrijf met het toezicht op de veiligheid belast was, zo betoogt het middel onder verwijzing naar de plaatsen in de stukken waarin Zurich daarop in de feitelijke instanties een beroep heeft gedaan.

3.6.2 In de door het onderdeel bestreden overweging reageerde het hof op het betoog van Zurich dat juist [verweerder] degene was die bevoegd was de cementpomp te huren en die als leidinggevende en/of ervaren medewerker met het toezicht op de veiligheid was belast. Die omstandigheid heeft het hof dus niet buiten beschouwing gelaten. Het antwoord van het hof komt erop neer dat, zo [verweerder] in dit opzicht al mocht hebben gefaald, dat nog niet betekent dat All Conserving aan haar zorgplicht heeft voldaan, nu vaststaat dat All Conserving geen enkele aanwijzing of instructie aan [verweerder] heeft gegeven om ervoor te zorgen dat alleen in goede staat van onderhoud verkerende en veilige werktuigen en gereedschappen zouden worden gebruikt. Dit oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een werkgever die de zorg voor de veiligheid van de werktuigen en gereedschappen waarmee hij de arbeid doet verrichten, overlaat aan een daartoe, objectief gezien, gekwalificeerde werknemer, heeft in het algemeen niet reeds daardoor (ook niet jegens die werknemer) voldaan aan zijn verplichtingen als bedoeld in art. 7:658 lid 1, maar zal daarnaast zodanige maatregelen moeten nemen en aanwijzingen moeten verstrekken als redelijkerwijs nodig is om die werknemer in staat te stellen en ertoe te brengen ook daadwerkelijk de nodige zorg voor de veiligheid in acht te nemen. Hierop stuit onderdeel IIA af.

3.6.3 Onderdeel II B acht de redenering van het hof dat uit het feit dat met betrekking tot de onderhavige pomp geen specifieke instructies zijn gegeven zou volgen dat "van enige aanwijzing c.q. instructie (...) van All Conserving aan [verweerder] geen sprake is geweest" onjuist. Het hof miskent hiermee, aldus het onderdeel, dat in de aanstelling van [verweerder] als bedrijfsleider/uitvoerder, en toezichthouder op de veiligheid binnen het bedrijf besloten lag, dat wel degelijk algemene aanwijzingen en (veiligheids)instructies waren gegeven die voldoende waren voor het onderhavige geval. Op de plaatsen in de processtukken waarnaar de klacht in dit verband verwijst, heeft Zurich aangevoerd dat in het bedrijf van All Conserving de verplichting, en de expliciete instructie, gold dat bij werkzaamheden als waarmee [verweerder] bezig was toen het ongeluk gebeurde, een veiligheidsbril gedragen moet worden. Hierin heeft het hof, dat, in cassatie onbestreden, ervan is uitgegaan dat [verweerder] ten tijde van het ongeluk een veiligheidsbril droeg, blijkbaar geen betoog gelezen dat in de gestelde aanstelling van [verweerder] als toezichthouder op de veiligheid besloten lag dat aan hem algemene aanwijzingen en (veiligheids)instructies waren gegeven daartoe strekkende dat hij zich ervan zou vergewissen dat gehuurde werktuigen als de onderhavige cementpomp aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldeden. Deze klacht mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.6.4 Het onderdeel klaagt voorts dat de beoordeling van de zorgplichtschending en van de verplichting tot het geven van aanwijzingen of instructies in casu niet kan plaatsvinden zonder daarbij te betrekken de omstandigheid dat de werknemer nu juist degene was die met de veiligheidscontrole was belast en dat in dit kader veiligheidsinstructies waren gegeven die mede voortvloeiden uit de aanstelling van [verweerder] als uitvoerder. Deze klacht faalt om de redenen als hiervoor in 3.6.3 vermeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Hooge Huys en Zurich in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 januari 2006.