Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AT4544

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
01-09-2006
Zaaknummer
R04/081HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AT4544
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen ex-echtelieden over de verdeling na echtscheiding van tussen hen bestaande, volgens huwelijkse voorwaarden beperkte, huwelijksgoederengemeenschap en over verrekening overeenkomstig echtscheidingsconvenant; beroep tot vernietiging convenant, misbruik van omstandigheden?, motiveringsgebrek; Wet regels verrekenbedingen, vernietigbare verdeling?, art. 3:196 en 199 BW niet van toepassing op een verrekening ter uitvoering van een periodiek verrekenbeding waarover voor 1 september 2002 al overeenstemming was bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/133
NJ 2008, 166
JOL 2006, 474
RvdW 2006, 767
JWB 2006/258

Uitspraak

1 september 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/081HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 23 januari 2002 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken, en nevenvoorzieningen te treffen met betrekking tot de alimentatie voor de vrouw en de kinderen en het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast heeft de man verzocht de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte huwelijksgoederengemeenschap alsmede de verrekeningsvorderingen conform het tussen partijen op 3 augustus 2001 gesloten convenant vast te stellen in dier voege dat in overeenstemming met art. 7 van het convenant de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld, de man de hypotheek voor zijn rekening neemt en de man ter zake van de toescheiding en levering van de echtelijke woning aan hem alsmede de verrekening uit hoofde van art. 6 van de huwelijkse voorwaarden, aan de vrouw voldoet een bedrag van € 408.402,19 overeenkomstig het bepaalde in art. 8 van het convenant. Ten slotte heeft de man verzocht partijen te gelasten over te gaan tot verdeling van de inboedel en de verdeling van de in art. 10 van het convenant genoemde rekening vast te stellen in dier voege dat de in het petitum vermelde bankrekeningen met de daarop staande saldi aan partijen worden toebedeeld zoals in het petitum van het verzoekschrift omschreven.

De vrouw heeft de verzoeken met betrekking tot de uitkering tot haar levensonderhoud, de kinderbijdrage, de voorziening met betrekking tot de echtelijke woning en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bestreden en van haar kant verzocht:

- te verk1aren voor recht dat voormeld convenant nietig is althans vernietigd is door de buitengerechtelijke verklaring van de vrouw van 12 juncto 21 november 2001;

- de verdeling van de beperkte gemeenschap vast te stellen in die zin dat de echtelijke woning alsmede de hypothecaire lening wordt toebedeeld aan de man met - kort samengevat - uitbetaling van de helft van de overwaarde (na taxatie) aan de vrouw;

- de man te veroordelen om aan de vrouw te verstrekken een gespecificeerde, schriftelijke en ondergetekende opgave per medio juli 2001 van het te verrekenen vermogen, met onderliggende bewijsstukken, alsmede van de nadien plaatsgevonden vermogensvermeerderingen, en hem voorts te veroordelen om met de vrouw tot verrekening over te gaan in dier voege dat de man aan de vrouw voldoet 50% van het overgespaarde vermogen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2002 tot aan de dag der voldoening;

- de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een nader gespecificeerd bedrag wegens een verrekeningsvordering ter zake van de kosten van de huishouding c.q. aflossing van de lening ter zake van de echtelijke woning, alles uit het privé-vermogen van de vrouw voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2002 tot aan de dag der voldoening;

- te bepalen dat de vrouw bevoegd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

De man heeft de zelfstandige verzoeken van de vrouw bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 9 mei 2003 echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bedragen omtrent de alimentatie voor de vrouw en de kinderen vastgesteld zoals in het dictum omschreven, en bepaald dat de man, indien deze ten tijde van de inschrijving van de uitspraak van de echtscheiding de echtelijke woning bewoont, jegens de vrouw bevoegd zal zijn de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na die inschrijving voort te zetten. Voorts heeft de rechtbank de verzoeken omtrent de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte huwelijksgoederengemeenschap alsmede de verrekingsvorderingen en de verdeling van de in het convenant vermelde bankrekeningen conform het verzoek van de man toegewezen, partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de inboedel en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft de vrouw verzocht, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen en:

• te verklaren voor recht dat het convenant tussen partijen van 3 augustus 2001 nietig is althans is vernietigd door de buitengerechtelijke verklaring van de vrouw van 12 juncto 21 november 2001, althans dit convenant te vernietigen wegens:

- primair het ontbreken van de wil van de vrouw op grond van art. 3:33 BW bij het aangaan van de overeenkomst;

- subsidiair het maken van misbruik van omstandigheden althans bedreiging door de man in het bijzonder door de vrouw onder voortdurende en onaanvaardbare druk te plaatsten in de periode voorafgaand aan de ondertekening van het convenant;

- meer subsidiair benadeling voor meer dan een/vierde voor wat betreft de verdeling van de tussen partijen aanwezige eenvoudige gemeenschap dan wel voor wat betreft de bij de huwelijksvoorwaarden overeengekomen verrekening;

- nog meer subsidiair de algemene redelijkheid- en billijkheidsbepalingen;

dan wel (uitsluitend) te vernietigen wegens

- dwaling op basis van art. 6:228 BW aan de zijde van de vrouw ter zake de waarde van het te verrekenen vermogen;

- nog meer subsidiair een geestelijke stoornis aan de zijde van de vrouw als bedoeld in artikel 3:34 BW;

• de echtscheiding uit te spreken tussen partijen en daarbij:

- te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen zal betalen van € 840,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- te bepalen dat de man aan de vrouw een uitkering in haar levensonderhoud zal betalen van € 6.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de verdeling van de "eenvoudige" gemeenschap vast te stellen in die zin dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld nadat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde althans nadat de waarde bij wege van taxatie in rechte is vastgesteld en onder de verplichting aan de zijde van de man voor zijn rekening te nemen de hypothecaire geldlening en deze als eigen schuld te voldoen onder vrijwaring van de vrouw en voorts onder verplichting om de vrouw uit te keren de helft van de vrije verkoopwaarde minus haar aandeel in de hypothecaire geldlening;

- de man te veroordelen om aan de vrouw te verstrekken een gespecificeerde, schriftelijke en ondertekende beschrijving per medio juli 2001 van het te verrekenen vermogen tezamen met onderliggende bewijsstukken, alsmede van de nadien plaatsgevonden vermogensvermeerderingen, en hem voorts te veroordelen om met de vrouw tot verrekening over te gaan in dier voege dat de man aan de vrouw voldoet 50% van het, kort samengevat, "overgespaarde vermogen" te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2002 tot de dag der voldoening;

- de man te veroordelen aan de vrouw te betalen € 95.293,-- wegens een verrekeningsvordering terzake de kosten van de huishouding c.q. aflossing van de lening terzake de echtelijke woning, alles uit het privé-vermogen van de vrouw voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2002 tot aan de dag der voldoening;

- te bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de echtelijke woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten, totdat het verzoek betreffende de verdeling van de "eenvoudige" gemeenschap is geëffectueerd;

- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor zover wettelijk geoorloofd.

Bij beschikking van 18 maart 2004 heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de echtscheiding, de beschikking waarvan beroep wat betreft de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw en de kinderen vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, nieuwe bedragen terzake vastgesteld, de beschikking waarvan beroep voor het overige bekrachtigd, het meer of anders verzochte afgewezen en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De advocaat van de vrouw heeft bij gefaxte brief van 9 mei 2005 op die conclusie gereageerd.

De nadere conclusie van de thans plaatsvervangend Procureur-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt ertoe dat de middelonderdelen 2 en 3 falen.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man, geboren op [geboortedatum] 1959, en de vrouw, geboren op [geboortedatum] 1959, zijn op 6 september 1990 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. De huwelijkse voorwaarden zijn bij akte van 15 juni 1998 gewijzigd.

(ii) Ingevolge de gewijzigde huwelijkse voorwaarden is tussen partijen elke gemeenschap uitgesloten behoudens een gemeenschap van inboedel, en geldt een verrekenbeding dat uitgaat van periodieke verrekening van inkomsten. De toepassing van de artikelen 1:132-145 (oud) BW inzake het wettelijk deelgenootschap is uitgesloten.

(iii) Partijen hebben op 3 augustus 2001 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) getekend. De daarin vastgelegde afspraken zijn gemaakt met het oog op echtscheiding. Deze afspraken betreffen onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie en de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap (partijen zijn gezamenlijk ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de echtelijke woning). Laatstgenoemde afspraak houdt in dat de volledige eigendom van de woning wordt toebedeeld aan de man onder de verplichting de daarop rustende hypothecaire geldschuld voor zijn rekening te nemen. De man is voorts uit hoofde van deze verdeling alsmede uit hoofde van de verrekening die tussen partijen op grond van hun huwelijkse voorwaarden dient plaats te vinden, aan de vrouw een bedrag verschuldigd van f 900.000,-. Hij dient dit bedrag aan de vrouw te betalen zodra zij dit bedrag (of een gedeelte daarvan) nodig heeft voor de aankoop van een woning of de inrichting daarvan.

(iv) Met betrekking tot de totstandkoming van het convenant heeft zich het volgende afgespeeld. Partijen hebben zich, nadat zij tot echtscheiding hadden besloten, op 23 mei 2001 gezamenlijk gewend tot de advocaat mr. Van 't Hoogerhuijs. Aan haar hebben partijen verzocht de tussen hen gemaakte afspraken omtrent de gevolgen van de echtscheiding vast te leggen in een convenant. Partijen waren voornemens vervolgens gemeenschappelijk aan de rechtbank te verzoeken tussen hen echtscheiding uit te spreken, met opneming van de inhoud van het convenant in de te wijzen beschikking. Nadat diverse concept-convenanten waren gewisseld, heeft de vrouw zich gewend tot haar huidige advocaat mr. Van Voorst tot Voorst. Na een bespreking op 29 juni 2001, adviseerde deze advocaat de vrouw bij brief van 10 juli 2001. De laatste versie van het concept-convenant wordt in deze brief uitvoerig besproken. De vrouw werd erop gewezen dat de advocaat geen concreet advies over de partneralimentatie kan geven omdat daartoe noodzakelijke bescheiden ontbreken, en dat hetzelfde geldt wat betreft de overeengekomen uitbetaling aan de vrouw ter zake van de overwaarde van de echtelijke woning en met betrekking tot de afrekening op grond van het in de huwelijkse voorwaarden voorkomende verrekenbeding. Op 17 juli 2001 heeft mr. Van Voorst tot Voorst een brief aan de man geschreven, waaruit bleek dat zij de vrouw op dat moment als advocaat bijstond en voornemens was de zaak in zoverre over te nemen van mr. Van 't Hoogerhuijs, die op dat moment met vakantie was. Vervolgens hebben partijen zich op 27 juli 2001 toch opnieuw gezamenlijk tot mr. Van 't Hoogerhuijs gewend en is op 3 augustus 2001 een convenant getekend. Kort daarna stuurde de vrouw een brief aan de man waarin zij stelde spijt te hebben van de ondertekening van het convenant. Zij was de maanden voor de ondertekening verward en depressief en wist niet wat te doen. Zij kon niet helder over de zaak nadenken. Zij stelde dat de man waarschijnlijk niet bedoeld heeft haar onder druk te zetten, maar dat dit op grond van diverse uitlatingen van de man wel zo bij haar overkwam. Om die reden heeft zij zich opnieuw gewend tot mr. Van Voorst tot Voorst, die zij heeft verzocht het verzoek tot echtscheiding "aan te houden/te ontbinden", aldus nog steeds de vrouw in haar voormelde brief.

(v) De man is notaris, de vrouw heeft een atheneumopleiding gevolgd.

3.2 In dit geding heeft de man de rechtbank verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken. Voorts heeft hij, kort gezegd, verzocht de verdeling vast te stellen van de tussen partijen bestaande, beperkte, huwelijksgoederengemeenschap, alsmede om de verrekeningsvorderingen vast te stellen conform het convenant.

De vrouw heeft zich met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding gerefereerd. Zij heeft voorts tegenverzoeken gedaan, onder meer ertoe strekkende dat voor recht wordt verklaard dat het convenant nietig is, althans buitengerechtelijk is vernietigd. Zij heeft daartoe diverse gronden aangevoerd, waaronder (i) misbruik van omstandigheden door de man, in het bijzonder doordat hij de vrouw onder voortdurende en onaanvaardbare druk heeft geplaatst in de periode voorafgaande aan de ondertekening van het convenant, (ii) benadeling voor meer dan een vierde wat betreft de verdeling van de tussen partijen aanwezige eenvoudige gemeenschap dan wel wat betreft de bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening, en, in de loop van het geding voorts, (iii) dwaling ter zake van de waarde van het te verrekenen vermogen. De man heeft deze gronden bestreden.

3.3 De rechtbank heeft tussen partijen echtscheiding uitgesproken; zij heeft voorts de tegenverzoeken van vrouw van de hand gewezen en de door de man te betalen alimentatie, alsmede de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap en de verrekeningsvorderingen, vastgesteld conform het convenant.

In het door de vrouw ingestelde hoger beroep heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dit beroep was gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding. Het hof heeft het beroep voor het overige verworpen, behoudens een ondergeschikt, in cassatie niet terzake dienend, punt.

3.4 Onderdeel 1 van het tegen de beschikking van het hof aangevoerde middel stelt dat het hof heeft verzuimd aandacht te besteden aan het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden.

Het onderdeel slaagt omdat het hof deze gestelde vernietigingsgrond inderdaad niet heeft beoordeeld, zodat zijn beschikking in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.

3.5 De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen de verwerping door het hof van het beroep van de vrouw op art. 3:196 BW (benadeling bij een verdeling voor meer dan een vierde). Onderdeel 2 houdt in, kort gezegd, dat het overgangsrecht niet bepaalt dat de nieuwe artikelen eerbiedigende werking hebben, zodat moet worden uitgegaan van onmiddellijke werking daarvan. Onderdeel 3 klaagt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat inmiddels de Wet regels verrekenbedingen van kracht is, niet meebrengt dat art. 3:196 BW van toepassing is in de onderhavige zaak. Weliswaar kunnen partijen onder omstandigheden van de Wet regels verrekenbedingen afwijken, doch slechts bij huwelijkse voorwaarden en niet bij convenant. Het onderdeel klaagt in de tweede plaats dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat een beroep op vernietiging contractueel kan worden uitgesloten.

3.6 De Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekeningbedingen), Stb. 152 (hierna: de Wet regels verrekenbedingen), bevat in art. IV lid 1 een bepaling van overgangsrecht. Deze houdt in dat het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet, 1 september 2002, van toepassing blijft op huwelijkse voorwaarden die uitsluitend finale verrekening van vermogen bevatten. Deze bepaling is door de minister onder meer als volgt toegelicht:

"Het onderhavige wetsvoorstel is grotendeels van regelend recht. Daar waar bestaande huwelijkse voorwaarden van de regels in het onderhavige wetsvoorstel afwijken, ontstaan geen overgangsrechtelijke problemen waar het betreft bepalingen die van regelend recht zijn. Hetgeen in afwijking van de voorgestelde regeling is geregeld in huwelijkse voorwaarden blijft dan immers gelden.

Ten aanzien van de vier dwingendrechtelijke bepalingen geldt het volgende. Twee van die voorgestelde dwingendrechtelijke bepalingen, de artikelen 138, tweede lid, en 143, handelen over de wederkerige verplichting elkaar over de te verrekenen inkomsten of het te verrekenen vermogen informatie te verschaffen. Artikel 139 houdt de bevoegdheid in opheffing van de verplichting tot verrekening en schadevergoeding te vorderen, terwijl artikel 140 de bevoegdheid inhoudt de rechter een betalingsregeling te vragen.

Ten aanzien van al deze bepalingen kan worden uitgegaan van onmiddellijke werking. Het betreft hier bevoegdheden en geen vorderingsrechten, zodat het beginsel van verkregen rechten (vergelijk artikel 69 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk wetboek) op dit punt geen rol speelt. Ook inhoudelijk bestaat geen bezwaar tegen onmiddellijke werking."

3.7 Ingevolge art. 1:135 lid 2 BW, dat onderdeel uitmaakt van de algemene regels voor verrekenbedingen, zijn op verrekening onder meer de artikelen 3:196 en 3:199 BW - betreffende de nietigheid en vernietigbaarheid van verdelingen van gemeenschappen - van overeenkomstige toepassing. Deze bepalingen houden kort gezegd in dat op een verdeling van een gemeenschap (en dus, gezien art. 1:135 lid 2 BW, ook op een verrekening ingevolge een bij huwelijkse voorwaarden gemaakt verrekenbeding) niet de algemene dwalingsregeling van de artikelen 228-230 van Boek 6 van toepassing is, maar de specifieke regeling van art. 3:196 BW.

Hoewel art. IV lid 1 van de Wet regels verrekenbedingen kennelijk berust op het uitgangspunt van onmiddellijke werking, blijkt uit de daarop gegeven - hiervoor in 3.6 gedeeltelijk geciteerde - toelichting dat de regering zich geen rekenschap ervan heeft gegeven dat art. 3:196 BW in verbinding met art. 1:135 lid 2 BW een nieuwe, onder het vóór 1 september 2002 nog niet bestaande, grond voor vernietiging van verrekeningen inhoudt, zodat onmiddellijke werking van deze bepaling niet voor de hand ligt voor zover het gaat om de vernietiging van overeenkomsten die voor het tijdstip van de inwerkingtreding ter uitvoering van een periodiek verrekenbeding zijn gesloten. Als algemeen beginsel van overgangsrecht, in de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek neergelegd in de algemene overgangsbepalingen in verband met de boeken 3-8, heeft immers te gelden het in art. 69 Ow uitgewerkte beginsel van eerbiediging van verkregen rechten waarmee onmiddellijk samenhangt de in art. 79 Ow neergelegde regel dat - kort samengevat - behoudens uitzonderingen ook de geldigheid van rechtshandelingen naar oud recht, door de invoering van nieuw recht wordt geëerbiedigd. Om deze redenen moet worden aangenomen dat de hiervoor in 3.6 genoemde bepaling van overgangsrecht niet meebrengt dat ook de artikelen 3:196 en 3:199 BW onmiddellijk van toepassing zijn op een verrekening ter uitvoering van een periodiek verrekenbeding waarover, zoals in dit geval, vóór de invoering op 1 september 2002 van de Wet regels verrekenbedingen al overeenstemming was bereikt.

3.8 Wat er zij van het antwoord op de vraag of de vrouw belang heeft bij de beoordeling van de onderdelen: in het licht van het hiervoor overwogene faalt onderdeel 2 reeds omdat het op een onjuiste rechtsopvatting berust, terwijl onderdeel 3 niet tot cassatie kan leiden omdat het feitelijke grondslag mist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 18 maart 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 september 2006.