Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AT4493

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
40386
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AT4493
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Verrekening van een correctie ter zake van afgetrokken omzetbelasting. Weigering door de Inspecteur om een naheffingsaanslag op te leggen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6, geldigheid: 2006-04-14
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2006-04-14
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 2006-04-14
Algemene wet bestuursrecht 8:71, geldigheid: 2006-04-14
Wet op de omzetbelasting 1968 31, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 589 met annotatie van Pechler
FutD 2006-0684
BNB 2006/301
Belastingadvies 2006/11.2
V-N 2006/20.4

Uitspraak

Nr. 40.386

14 april 2006

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 november 2003, nr. BK-02/03633, betreffende teruggaaf van omzetbelasting.

1. Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof

De Inspecteur heeft bij beschikkingen van 25 februari en 24 maart 2000 aan belanghebbende over de tijdvakken december 1999 en januari 2000 overeenkomstig haar aangiften teruggaaf verleend van omzetbelasting ten bedrage van f 6661 respectievelijk f 23.738. Het door belanghebbende tegen die beschikkingen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 19 juli 2002 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Bij een gelijktijdig ambtshalve gegeven beschikking is de Inspecteur aan het bezwaar tegemoetgekomen wat betreft de over voormelde tijdvakken door belanghebbende verschuldigde belasting. De uit dien hoofde terug te geven omzetbelasting heeft de Inspecteur laten 'wegvallen' tegen een correctie van de door belanghebbende in haar aangiften over deze tijdvakken afgetrokken omzetbelasting.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Bij een schrijven van 8 augustus 2002 heeft zij bezwaar gemaakt tegen laatstvermelde correctie. Tegen de reactie van de Inspecteur op dat bezwaar, gegeven bij schrijven van 4 oktober 2002, heeft zij vervolgens eveneens beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft het eerste beroep ongegrond en het tweede niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 15 maart 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Aan belanghebbende zijn bij beschikkingen van 25 februari 2000 en 24 maart 2000 overeenkomstig de aangiften teruggaven van omzetbelasting verleend over de maanden december 1999 en januari 2000.

De volgens deze aangiften verschuldigde omzetbelasting betrof onder meer de overdracht door belanghebbende aan A Ltd. van een voorraad auto's. Op de wegens die leveringen verschuldigde omzetbelasting was in mindering gebracht een bedrag aan omzetbelasting dat aan belanghebbende in rekening was gebracht ter zake van de levering van een aantal shovels.

3.1.2. Bij haar aangifte over mei 2000 verzocht belanghebbende om een teruggaaf van omzetbelasting ter zake van de teruglevering door A Ltd. aan belanghebbende van de voorraad auto's. Bij beschikking van 15 september 2000 heeft de Inspecteur het over mei 2000 terug te geven bedrag aan omzetbelasting bepaald op nihil omdat naar de mening van de Inspecteur met betrekking tot de voorraad auto's artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) van toepassing was. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt.

3.1.3. Tijdens naar aanleiding van dat bezwaar gevoerd overleg heeft de Inspecteur in het vooruitzicht gesteld dat artikel 31 van de Wet ook zou worden toegepast ten aanzien van de levering van de voorraad auto's door belanghebbende aan A Ltd. in december 1999 en januari 2000. Op grond daarvan heeft belanghebbende - bij brief van 1 juni 2001 - alsnog bezwaar gemaakt tegen de onder 3.1.1 bedoelde beschikkingen inzake de tijdvakken december 1999 en januari 2000.

3.1.4. Bij uitspraak van 20 juli 2001 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de onder 3.1.2 bedoelde beschikking van 15 september 2000 inzake het tijdvak mei 2000 afgewezen. Gelet op de uitkomst van het bovenvermelde overleg heeft belanghebbende in die afwijzing berust in het vertrouwen dat de overeenkomstige toepassing van artikel 31 van de Wet voor de tijdvakken december 1999 en januari 2000 tot een teruggave van omzetbelasting zou leiden.

3.1.5. Bij brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 19 juli 2002 heeft de Inspecteur het onder 3.1.3 bedoelde bezwaar tegen de beschikkingen van 25 februari en 24 maart 2000 inzake de tijdvakken december 1999 en januari 2000 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet was ingediend binnen de wettelijke termijn. De brief vermeldt voorts:

" (....) De uitspraak op het ingediende bezwaarschrift is vertraagd door een ingesteld derdenonderzoek. Dit onderzoek is ingesteld, omdat in de administratie over de maanden december 1999 en januari 2000 inkoopfacturen zijn aangetroffen inzake de aankoop van een vijftal shovels. (....) Uit dit derdenonderzoek is gebleken dat de aangetroffen facturen vals zijn.

De ambtshalve genomen beslissing luidt als volgt:

De verkoop van de gehele voorraad aan A Ltd zal alsnog aangemerkt worden als een overname ingevolge artikel 31 van de Wet. De gevolgen voor de heffing (van) omzetbelasting zijn nihil, omdat het ontstane recht op teruggave wegvalt tegen de correctie voorbelasting op de aanschaf van een vijftal shovels."

3.1.6. Bij een schrijven van 8 augustus 2002 heeft belanghebbende ontkend dat sprake is van valse facturen. De Inspecteur is bij schrijven van 4 oktober 2002 bij zijn standpunt gebleven.

3.2. De middelen strekken in de eerste plaats ten betoge dat het Hof had moeten oordelen dat de Inspecteur in zijn brief van 19 juli 2002 het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikkingen van de Inspecteur van 25 februari en 24 maart 2000 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat betoog faalt op de gronden vermeld in onderdeel 3.1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.3. De middelen hebben voor het overige betrekking op de door de Inspecteur geboden geachte correctie van de door belanghebbende in haar aangiften over de tijdvakken december 1999 en januari 2000 in aftrek gebrachte omzetbelasting ter zake van de shovels.

De middelen kunnen ook in zoverre niet tot cassatie leiden. De brief van de Inspecteur van 19 juli 2002 behelst niet mede de kennisgeving van een naheffingsaanslag of een andere voor bezwaar vatbare beschikking ter zake van de shovels. De brief van de Inspecteur van 4 oktober 2002 behelst evenmin de kennisgeving van een zodanige naheffingsaanslag, en hij bevat ook niet anderszins een voor bezwaar of beroep vatbare beschikking of uitspraak. Het Hof heeft derhalve terecht het beroep van belanghebbende tegen de brief van de Inspecteur van 4 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard en geen toepassing gegeven aan artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.4. Voorzover de middelen betogen dat belanghebbende mocht vertrouwen op een toezegging van de Inspecteur dat de omzetbelasting ter zake van de in december 1999 en januari 2000 geleverde voorraad auto's zou worden teruggegeven, en dat dit vertrouwen is beschaamd doordat de Inspecteur bij zijn ambtshalve gegeven beslissing van 19 juli 2002 een - niet aan de mogelijkheid van bezwaar of beroep onderhevige - correctie heeft toegepast met betrekking tot de in december 1999 en januari 2000 in aftrek gebrachte omzetbelasting ter zake van de shovels, zodat per saldo geen terug te geven bedrag meer resteerde, heeft het volgende te gelden.

Een inspecteur heeft in beginsel in het kader van een beslissing die hij ambtshalve geeft omtrent vermindering of teruggaaf van belasting, de bevoegdheid - binnen het kader van de wettelijke regels en de beginselen van behoorlijk bestuur - om tevens rekening te houden met andere feiten die grond opleveren om de vermindering of teruggaaf te beperken, zodat per saldo (zoveel mogelijk) sprake is van een juiste belastingheffing. Gebruikmaking van deze bevoegdheid zal echter in de regel in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, indien de inspecteur heeft toegezegd, of althans het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, dat ambtshalve een vermindering of teruggaaf van belasting zal worden verleend; alsdan zal de toegezegde vermindering of teruggaaf in de regel daadwerkelijk verleend moeten worden.

Blijft de belastingdienst jegens een belastingplichtige in gebreke een te betalen bedrag te voldoen, dan kan de belastingplichtige zich in rechte voorzien door het instellen van een rechtsvordering bij de burgerlijke rechter. Opmerking verdient nog dat de ontvanger zich in het aan het slot van de vorige alinea bedoelde geval tegenover de belastingschuldige slechts met succes op verrekening ingevolge artikel 24 van de Invorderingswet van het te betalen bedrag met een tegenvordering ter zake van een belastingschuld van de belastingschuldige kan beroepen, indien die belastingschuld afzonderlijk is vastgesteld op de in de belastingwet voorziene wijze - derhalve bij voor bezwaar en beroep vatbare aanslag of beschikking - en op grond daarvan inbaar is.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, J.W. van den Berge en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2006.