Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AT1092

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
R04/018HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AT1092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antillenzaak; is het door het Land geheven vergunningsrecht ingevolge de Loterijverordening 1909 (‘Wega di Number’) te beschouwen als een omzetbelasting?, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 33
NJ 2006, 73
RvdW 2006, 105
JWB 2006/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2006

Eerste Kamer

Rek.Nr. R04/018HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,

2. de naamloze vennootschap naar Nederlands-Antilliaans recht ADMINISTRATIEKANTOOR DOLLAR N.V.,

gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

de openbare rechtspersoon HET EILANDGEBIED CURAÇAO,

zetelend op Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij verzoekschrift van 27 mei 2002 hebben eisers tot cassatie - verder tezamen te noemen: [eiser] c.s. - zich op verkorte termijn gewend tot het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het gerecht), en verzocht artikel 4 lid 2 sub b en c van de Loterijverordening 1909 (P.B. 1965, no. 85), zoals gewijzigd en/of enige daarvoor in de plaats gekomen wetgeving en alle op basis daarvan uitgevaardigde wetgeving of besluiten van uitvoerende aard, onverbindend te verklaren, en verweerster in cassatie - verder te noemen: het Eilandgebied - te gebieden zich te onthouden van gedragingen die op de gelding of werking daarvan zijn gegrond, met name gedragingen gericht op de inning, aangifte, afdracht en invordering van het daarin omschreven speelvergunningsrecht.

Het Eilandgebied heeft de vordering bestreden.

Het gerecht heeft bij vonnis van 25 november 2002 de vordering afgewezen en [eiser] c.s. veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van het Eilandgebied begroot op Naf. 18.300,-- aan salaris van de gemachtigde.

Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gemeenschappelijk hof van justitie van de Nederlandse Antillen.

Bij vonnis van 14 november 2003 heeft het hof het bestreden vonnis bevestigd, met dien verstande dat het begrote bedrag ter zake van het salaris van de gemachtigde van het Eilandgebied wordt bepaald op Naf. 11.400,-- in plaats van Naf. 18.300,--.

Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Eilandgebied heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat en mede door mr. A.L. Kruijmer, en voor het Eilandgebied door mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk, beiden advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W. de Wit strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Artikel 2a, lid 1, letter A, van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (hierna: ERNA) bevat een opsomming van belastingen die niet kunnen worden geheven door een eilandgebied, maar uitsluitend door het Land. Daarbij worden eerst (artikel 2a, lid 1, letter A, sub 1e, 2e, en 3e, ERNA) een aantal algemene belastingen genoemd. Daartoe behoort ook een omzetbelasting (artikel 2a, lid 1, letter A, sub 1e, ERNA). Vervolgens wordt een aantal bijzondere heffingen (artikel 2a, lid 1, letter A, sub 4e, ERNA) vermeld, te weten "heffingen in verband met door het Land tot stand gebrachte werken, getroffen voorzieningen, verrichte diensten of verleende rechten, geheven van degenen, die in het bijzonder bij deze werken, voorzieningen, diensten of rechten betrokken zijn".

De in artikel 2a ERNA opgenomen bepalingen zijn ontworpen door de Commissie Herziening Eilandenregeling (hierna: de Commissie). De Commissie rekende tot de in artikel 2a, lid 1, letter A, sub 4e, ERNA genoemde bijzondere heffingen ook het vergunningsrecht ingevolge de Loterijverordening 1909. De omstandigheid dat dit vergunningsrecht op het moment dat de Commissie haar rapport schreef werd geheven naar de maatstaf 'van het gezamenlijk bedrag der loten' (artikel 4, lid 1, van de Loterijverordening 1909) was voor de Commissie kennelijk niet een reden de heffing van dit vergunningsrecht te beschouwen als een omzetbelasting, bedoeld onder artikel 2a, onderdeel A, sub 1e, ERNA. In de Memorie van Toelichting inzake het voorstel tot invoering van artikel 2a ERNA wordt, onder meer voor wat betreft de verdeling van het belastinggebied tussen het Land en de Eilandgebieden, verwezen naar het rapport van de Commissie (MvT, Staten van de Nederlandse Antillen, Zittingsjaar 1955-1956- 62, nr. 3, blz. 2). Aangezien uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 2a ERNA verder niet van het tegendeel blijkt, moet worden aangenomen dat ook de wetgever het vergunningsrecht ingevolge de Loterijverordening 1909 niet als een omzetbelasting beschouwde.

3.2 Het vergunningsrecht voor de onderhavige loterij Wega di Number wordt - naast een vast bedrag per lokaliteit - geheven naar de maatstaf van de bruto-omzet van de vergunninghouder, voortvloeiende uit de verkoop van loten (artikel 4, lid 2, letter b, van de Loterijverordening 1909). Die maatstaf wijkt af van de maatstaf 'het gezamenlijke bedrag der loten' welke gold ten tijde van de invoering van artikel 2a ERNA. Die wijziging sedert laatstbedoeld tijdstip heeft echter het karakter van het vergunningsrecht niet wezenlijk veranderd, in die zin dat het daarna niet meer zou kunnen worden beschouwd als een bijzondere heffing in verband met een verleend recht, geheven van degene die in het bijzonder bij dat recht betrokken is. Immers, het belastbare feit is onveranderd het gebruik maken van een verleende vergunning en de heffing wordt geheven van degene die uit hoofde van zijn hoedanigheid als vergunninghouder belastingplichtige is en niet van enig ander persoon die opbrengsten heeft wegens het verkopen van loten of het houden van een loterij. Er is derhalve geen reden om de heffing van het vergunningsrecht ten aanzien van de loterij Wega di Number wel als een omzetbelasting in de zin van artikel 2a ERNA te beschouwen. De omstandigheid dat de vergunning tot het houden van loterijen thans niet meer wordt verleend door het Land maar door het eilandgebied, rechtvaardigt geen ander oordeel.

3.3 Aangezien de loterij Wega di Wega haar karakter gemeen heeft met de loterij Wega di Number geldt het hiervoor in 3.2 overwogene ook voor die loterij.

3.4 Op het hiervoor overwogene stuit het middel in al zijn onderdelen af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Eilandgebied begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, J.W. van den Berge en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 januari 2006.