Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU6907

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
41505
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6138
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Is na omwisseling aandelen nog sprake van een gelijkgestelde deelneming in de zin van art. 13, lid 3, Wet Vpb 1969? Werden de aandelen niet slechts ter belegging gehouden?

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/85
Belastingadvies 2005/24.13
V-N 2005/58.18 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2292
NTFR 2005/1597 met annotatie van MR. E. THOMAS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.505

25 november 2005

RW

gewezen op het beroep in cassatie van N.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 november 2004, nr. P02/06053, betreffende na te melden voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 435.000.000, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 20.518.455.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De middelen I tot en met VI kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.2. Middel VII is gericht tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende geen verlies in aanmerking kan nemen uit hoofde van de door haar gepleegde afwaarderingen per 31 december van het onderhavige jaar van haar belang in CCC SpA (hierna: CCC).

Bij voormeld oordeel heeft het Hof hetzij miskend dat na de omwisseling van de aandelen E N.V. (hierna: E) in CCC op 18 december 2000 de deelnemingsvrijstelling alleen dan van toepassing blijft indien belanghebbende de aandelen CCC - evenmin als de aandelen E vóór de omwisseling - niet slechts ter belegging houdt, hetzij, indien het Hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het Hof ter motivering van dat oordeel heeft verwezen naar zijn oordeel met betrekking tot de aandelen E, doch niet heeft onderzocht of de aandelen CCC al dan niet ter belegging werden gehouden. Het middel slaagt derhalve. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ' s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2005.