Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU5470

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
00405/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU5470
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AR8605
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie AG: 1. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het OM er op toe zal moeten zien dat al het materiaal dat in redelijkheid kan worden vermoed van belang te zijn voor de in de strafzaak te nemen beslissingen, hetzij in voor verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin, wordt gevoegd bij de stukken die bij het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zullen komen. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd (HR NJ 1996, 687 en HR LJN AB1517). Bovendien moet van de verdediging worden verlangd dat zij haar verzoek om bijvoeging van stukken die niet met het oog op de berechting van verdachte zijn opgesteld of verkregen, onderbouwt met de bijzondere redenen die doen vermoeden dat kennisneming van die stukken daadwerkelijk invloed kan hebben op enige in de strafzaak te nemen beslissing. Bij gebreke van een aanduiding van het concrete belang bij kennisneming van bepaalde stukken zal de afwijzing van het verzoek niet spoedig onbegrijpelijk genoemd kunnen worden (HR NJ 2000, 104 en HR LJN AD9222). 2. Het hof heeft m.b.t. de stelling dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat verdachte ook in Turkije wordt vervolgd, gewezen op de omstandigheid dat art. 68 Sr slechts beschermt tegen een strafvervolging ter zake van een feit dat reeds tot een onherroepelijk rechterlijke uitspraak heeft geleid. Verder heeft het hof vastgesteld dat niet méér bekend is geworden dan de omstandigheid dat verdachte thans in Turkije wordt vervolgd, mogelijk ter zake van feiten die ook in deze Nederlandse strafzaak een rol spelen. Het hof heeft overwogen dat het enkele risico dat verdachte in Turkije wordt vervolgd en berecht ter zake van feiten waarvoor hij in de onderhavige strafzaak terechtstaat geen reden is om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Dat oordeel is juist, waaraan niet afdoet dat het Nederlandse OM de vervolging in Turkije mogelijk heeft gefaciliteerd door stukken betreffende het Nederlandse onderzoek te verstrekken. Zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat de informatieverstrekking van de Nederlandse aan de Turkse autoriteiten op gespannen voet zou staan met de mogelijkheden om internationale rechtshulp te weigeren, zou een daarin eventueel gelegen onrechtmatigheid niet zijn begaan binnen de strafzaak die aan ‘s hofs oordeel was onderworpen. Alleen al daarom valt niet in te zien waarom de informatieverstrekking aan de Turkse autoriteiten consequenties zou kunnen hebben voor de ontvankelijkheid van het OM in deze strafvervolging. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 708
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2005

Strafkamer

nr. 00405/05

AGJ/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 december 2004, nummer 21/004038-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire inrichting "Midden Holland" te Haarlem.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 6 december 2005.

Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.