Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU5469

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
00309/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU5469
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Het hof heeft de telefonische mededeling van verdachte (dat hij ergens in Den Haag in het verkeer is opgehouden maar niet kan aangeven waar hij zich bevindt) opgevat als aanhoudingsverzoek en heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek vijf kwartier te schorsen, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog te verschijnen. Toen verdachte toen nog niet was verschenen en evenmin nader telefonisch contact had opgenomen met het hof, heeft het hof het aanhoudingsverzoek niet verder willen honoreren en heeft het dat verzoek afgewezen. ’s Hofs oordeel dat verdachte redelijkerwijs in staat moest worden geacht om binnen vijf kwartier alsnog te verschijnen is, gelet op verdachtes telefonische mededeling, niet onbegrijpelijk. ’s Hofs oordeel dat de opgegeven reden van verhindering na het gegunde respijt voor rekening van verdachte diende te komen, is onjuist noch onbegrijpelijk. Dat oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden met een in algemene zin gedaan beroep op de omstandigheid dat die dag (10-11-04) een grootscheepse politieactie plaatsvond in het Laakkwartier in Den Haag, in verband waarmee was voorzien in verkeersafzettingen. Die enkele omstandigheid brengt immers niet zonder meer mee dat de in Hoogvliet wonende verdachte zodanige verkeersbelemmeringen moet hebben ondervonden dat hij, ook na de schorsing, niet tijdig ter terechtzitting heeft kunnen verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 707
NJ 2006, 423
NBSTRAF 2006/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2005

Strafkamer

nr. 00309/05

AGJ/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 november 2004, nummer 22/001495-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 27 mei 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en terug- of verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van een verzoek tot aanhouding van de behandeling.

4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2004 is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 10 november 2004 te 15.00 uur. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2004 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Het hof hervat het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 4 oktober 2004 bevond, onder handhaving van het op die terechtzitting tegen de verdachte verleende verstek, en beveelt dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, daar het hof thans anders is samengesteld.

De gerechtsbode deelt mede dat hij telefonisch contact heeft gehad met de verdachte en dat verdachte hem heeft medegedeeld dat hij ergens in Den Haag in het verkeer is opgehouden, maar niet kan aangeven waar hij zich bevindt. Voorts heeft verdachte medegedeeld dat zijn raadsman mr. A.M.J. Velu niet van de zitting op de hoogte is en daarom dan ook niet ter zitting zal verschijnen.

De voorzitter schorst het onderzoek tot 16.15 uur, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog ter terechtzitting te verschijnen.

Na schorsing en hervatting van het onderzoek deelt de gerechtsbode mede dat verdachte niet is verschenen en dat hij verder niets meer van verdachte telefonisch heeft vernomen.

Voorts deelt de bode mede dat hij telefonisch contact heeft gehad met mr. Velu en dat die hem heeft medegedeeld dat hij verdachte best wil bijstaan in hoger beroep maar dat hij te laat van de zitting van heden in kennis is gesteld.

De advocaat-generaal is van oordeel dat met de behandeling van de zaak moet worden voortgegaan.

Het hof verstaat de telefonische mededeling van de verdachte aan de gerechtsbode dat hij ergens in Den Haag in het verkeer is opgehouden, maar niet kan aangeven waar hij zich bevindt, alsmede dat zijn raadsman mr. A.M.J. Velu niet op de hoogte is van de zitting van heden, als een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Het hof wijst het verzoek af, aangezien verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad zich te verstaan met zijn raadsman, die zich overigens in hoger beroep niet als raadsman van verdachte heeft gesteld. Mede gelet op het respijt dat het hof de verdachte heeft gegeven, moet de -oncontroleerbare- omstandigheid dat hij in het verkeer is opgehouden voor rekening van de verdachte blijven.

De voorzitter beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."

4.3. Voorzover het middel blijkens de daarop gegeven toelichting ervan uitgaat dat mr. Vélu het Hof (telefonisch) heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden mist het feitelijke grondslag, nu van een zodanig verzoek niet blijkt.

4.4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het Hof dat, naar moet worden aangenomen, het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2004 om 15.00 uur heeft hervat, heeft de telefonische mededeling van de verdachte dat hij "ergens in Den Haag in het verkeer is opgehouden" opgevat als een verzoek tot aanhouding van de behandeling en heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek te schorsen tot 16.15 uur, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog ter terechtzitting te verschijnen. Toen de verdachte toen nog niet was verschenen en evenmin nader telefonisch contact had opgenomen met het Hof, heeft het Hof het verzoek tot aanhouding niet verder willen honoreren en heeft het dat verzoek afgewezen.

4.4.2. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdachte redelijkerwijs in staat moest worden geacht om in een tijdsbestek van vijf kwartier alsnog ter terechtzitting te verschijnen. Dat oordeel is, gelet op de telefonische mededeling van de verdachte, die inhield dat hij zich reeds in Den Haag bevond en omtrent de reden van zijn oponthoud niet meer behelst dan dat hij ergens in het verkeer was opgehouden, niet onbegrijpelijk. Zulks in aanmerking genomen geeft het oordeel van het Hof, dat de opgegeven reden van verhindering na het door het Hof gegunde respijt voor rekening van de verdachte diende te komen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Dat oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden met een in algemene zin gedaan beroep op de (kennelijk bedoelde) omstandigheid dat die dag een grootscheepse politieactie plaatsvond in het Laakkwartier in Den Haag, in verband waarmee was voorzien in de daartoe noodzakelijke verkeersafzettingen. Die enkele omstandigheid brengt immers niet zonder meer mee dat de in [woonplaats] wonende verdachte zodanige verkeersbelemmeringen moet hebben ondervonden dat hij, ook na de schorsing van het onderzoek door het Hof, niet tijdig ter terechtzitting heeft kunnen verschijnen.

4.5. Ook voor het overige kan het middel dus niet tot cassatie leiden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 6 december 2005.

Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.