Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU4731

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2005
Datum publicatie
21-10-2005
Zaaknummer
40458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 24 van de Meststoffenwet, artikel 7 van het Besluit voorraden Meststoffenwet, niet-tijdig aangemelde opslagen door heffingplichtige, geen vermindering belastbare hoeveelheid mineralen met eindvoorraad.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 19
Meststoffenwet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/4481
BNB 2006/8
V-N 2005/51.28 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.458

21 oktober 2005

LC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 januari 2004, nr. BK-02/01742, betreffende na te melden naheffingsaanslagen in de mineralenheffingen.

1. Naheffingsaanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1998 naheffingsaanslagen in de forfaitaire fosfaatheffing en forfaitaire stikstofheffing opgelegd ten bedrage van respectievelijk ƒ 71.282 en ƒ 21.471. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn de naheffingsaanslagen bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van het Bureau heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Inspecteur) verminderd tot respectievelijk ƒ 31.900 en ƒ 9063.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de naheffingsaanslag in de forfaitaire fosfaatheffing verminderd tot op een bedrag van ƒ 25.113,75 en de naheffingsaanslag in de forfaitaire stikstofheffing verminderd tot op een bedrag van ƒ 5295. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteert een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet (hierna: de Wet). Hij gebruikte in 1998 voor zijn bedrijfsuitoefening mede een aan hem in bruikleen gegeven perceel, groot 14,35 hectare.

In 1998 heeft belanghebbende in zijn bedrijf kippenmest in opslag genomen. Deze mest kon vanwege weersomstandigheden niet in dat jaar over de tot het bedrijf behorende landbouwgrond worden uitgereden. Dit is eerst in de loop van 1999 gebeurd.

3.1.2. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslagen de aan belanghebbende in bruikleen gegeven grond als niet tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond aangemerkt en op de grond dat de hiervóór vermelde opslag niet (tijdig) is aangemeld op de voet van artikel 7 van het Besluit voorraden Meststoffenwet (hierna: het Besluit) geen aftrek toegepast voor de op 31 december 1998 aanwezige voorraad kippenmest.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet afdoen aan de uit de Wet voortvloeiende verschuldigdheid van de mineralenheffingen die betrekking hebben op de in 1998 aangevoerde kippenmest.

3.2.2. Ingevolge artikel 7 van het Besluit wordt de belastbare hoeveelheid mineralen, bedoeld in artikel 24 van de Wet, alleen dan verminderd met de eindvoorraad, indien de opslag van deze voorraad tijdig is aangemeld. Voor het Hof heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat een dergelijke aanmelding niet heeft plaatsgevonden, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Dit betekent dat de Inspecteur bedoelde vermindering terecht niet heeft toegepast. Hieraan doen niet af de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, te weten dat het in het belang was van het milieu dat de mest eerst in 1999 is uitgereden en dat hij door persoonlijke problemen niet in de gelegenheid was te voldoen aan de eisen die het Besluit stelt.

Op grond hiervan faalt de tegen 's Hofs voormelde oordeel aangevoerde klacht.

3.3.1. Het Hof heeft voorts - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat ook het aan belanghebbende in bruikleen gegeven perceel bouwland gedurende het gehele kalenderjaar 1998 gold als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof de belastbare hoeveelheid meststoffen herberekend, zulks met inachtneming van het toelaatbare verlies van meststoffen als bedoeld in artikel 19, leden 1 en 2 (bedoeld zal zijn: leden 1 en 3), van de Wet.

3.3.2. De daartegen gerichte klacht dat voor het Hof niet in geschil was dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de verfijnde mineralenheffing slaagt. De klacht vindt steun in de stukken van het geding en in zijn verweerschrift in cassatie heeft de Minister deze klacht niet weersproken en erkend dat de heffingen moeten worden berekend mede met inachtneming van een aftrek wegens afvoer van akkerbouwproducten.

3.3.3. Nu het Hof op dit punt buiten de rechtsstrijd is getreden, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Overeenkomstig een nader door de Inspecteur gemaakte berekening moet de naheffingsaanslag in de fosfaatheffing worden verminderd tot op een bedrag van ƒ 15.750 (€ 7147,04) en die in de stikstofheffing tot op een bedrag van ƒ 1744 (€ 791,39).

4. Proceskosten

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot op een bedrag van ƒ 15.750 (€ 7147,04),

vermindert de naheffingsaanslag stikstofheffing tot op een bedrag van ƒ 1744 (€ 791,39),

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, en

veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2005.