Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU4127

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2005
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
01316/05 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2005

Strafkamer

nr. 01316/05 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 1997, nummer 23/001679-96, ingediend door:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van het indienen van de aanvrage wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 21 juni 1996 - de aanvrager ter zake van "poging tot doodslag" en "poging tot zware mishandeling" niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging met het bevel dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

Bij arrest van de Hoge Raad van 6 mei 2003, nr. 02682/02 H, LJN AH8914, is een eerdere aanvrage tot herziening van het arrest van het Hof niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover de aanvrage steunt op gronden die in deze beslissing ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen.

Voor het overige kan hetgeen in de aanvrage is aangevoerd niet worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden welke een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2ยบ, Sv, zodat zij ook in zoverre niet kan worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 4 oktober 2005.