Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU4124

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
R05/048HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU4124
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil over kinderalimentatie na een affectieve relatie; overschrijding van de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep, bij gebreke van incidenteel beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 749
RFR 2006, 14
RvdW 2006, 22
JWB 2005/460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/048HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 30 juni 2003 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht met ingang van 1 juni 2003, subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie in het verzoekschrift genoemde en uit een affectieve relatie van partijen geboren minderjarige kinderen van € 400,-- per maand en per kind zal dienen te voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel deze kinderalimentatie vast te stellen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft het verzoek van de vrouw bestreden en zelfstandig verzocht primair de verblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de man te bepalen, waarbij tevens wordt afgezien van de vaststelling van kinderalimentatie, en indien de rechtbank zal oordelen dat de kinderen niet bij hem zullen verblijven, subsidiair het verzoek strekkende tot vaststelling van kinderalimentatie geheel af te wijzen, althans lager vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, en een door hem voorgestelde omgangsregeling vast te stellen.

De vrouw heeft de zelfstandige verzoeken van de man bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 16 maart 2004 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot bepaling van de verblijfplaats van de minderjarige kinderen, een omgangsregeling vastgesteld, zoals in deze beschikking omschreven, de door de man met ingang van 1 juni 2003 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaald op € 243,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft hij het hof verzocht om de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de kinderalimentatie vast te stellen op € 100,-- per kind per maand, althans op een door het hof te bepalen bedrag.

Bij beschikking van 5 januari 2005 heeft het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2003 tot en met 31 december 2003 bepaald op € 172,-- en vanaf 1 januari 2004 op € 324,-- per maand per kind, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening van de zaak op een wijze als bedoeld in alinea 2.16 van deze conclusie.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Hieruit zijn drie kinderen geboren, respectievelijk in 1989, 1992 en 1994.

(ii) De man heeft de kinderen erkend. De vrouw alleen heeft het gezag over de kinderen, die bij haar verblijven.

(iii) Bij beschikking van 16 maart 2004 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2003 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te betalen van € 243,-- per maand per kind.

3.2 In hoger beroep heeft de man deze beslissing van de rechtbank bestreden en verzocht de kinderalimentatie vast te stellen op € 100,-- per kind per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht. De vrouw heeft de grieven van de man bestreden en verzocht het beroep af te wijzen. Het hof heeft overwogen dat de draagkracht van de man een kinderalimentatie toelaat van € 172,-- per kind per maand over de periode van 1 juni 2003 tot en met 31 december 2003 en van € 324,-- per kind per maand vanaf 1 januari 2004, en heeft dienovereenkomstig beslist.

3.3 Onderdeel 5 klaagt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft overschreden door de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2004 vast te stellen op een hoger bedrag dan de rechtbank had vastgesteld, hoewel door de vrouw geen hoger beroep was ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.

Het onderdeel is terecht voorgesteld. Nu de vrouw geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, streden partijen in hoger beroep over de vraag op welk bedrag tussen € 100,-- en € 243,-- de bijdrage per kind per maand moest worden vastgesteld. Het hof heeft door die bijdrage te bepalen op € 324,-- derhalve de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep overschreden. Dit betekent dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

3.4 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 januari 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 december 2005.