Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU4086

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
11-10-2005
Zaaknummer
00315/05 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU4086
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Verlof ex art. 552p Sv zonder openbare behandeling en uitspraak. 2. Art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing op beklagprocedure art. 552a Sv. Ad 1. Ex art. 552p.4 jo. 552a.5 Sv dient de behandeling van een vordering ex art. 552p Sv in het openbaar plaats te vinden. Dat brengt gelet op art. 24.1 Sv mee dat de beschikking in het openbaar moet worden uitgesproken, ook indien de behandeling ex art. 22.2 Sv met gesloten deuren heeft plaatsgevonden. Naar voortvloeit uit HR NJ 2005, 407 mag in een geval als i.c., waarin toepassing is gegeven aan art. 23.5 Sv openbaarheid van de behandeling in raadkamer achterwege blijven. Daartoe kan de raadkmer bevelen dat de gehele behandeling met gesloten deuren plaatsvindt. Doel en strekking van art. 23.5 Sv zouden worden ondergraven indien de beschikking vervolgens niettemin in het openbaar zou worden uitgesproken. Redelijke wetstoepassing brengt daarom mee dat art. 24.1, tweede volzin, Sv, in een geval als i.c. uitzondering lijdt en dat van het doen van uitspraak in het openbaar kan worden afgezien. 2. Art. 6 EVRM is in beginsel n.v.t. op de beklagprocedure ex art. 552a Sv aangezien er in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld. Van bijzondere omstandigheden waarin dat anders kan zijn is hier niet gebleken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 22
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552p
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 595
NJ 2006, 613
NBSTRAF 2005/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2005

Strafkamer

nr. 00315/05 B

AGJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 14 november 2003, nummer RK 03/1297, naar aanleiding van een door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in voormelde

Rechtbank, gevraagde verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, van het wetboek van Strafvordering ingediend door de belanghebbende:

[belanghebbende], geboren op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats] (Frankrijk).

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft aan de Officier van Justitie verlof verleend om de in de beschikking genoemde stukken van overtuiging ter beschikking te stellen van de Belgische justitiële autoriteiten onder het voorbehoud dat bij de afgifte wordt bedongen dat de originele stukken worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de belanghebbende.

Namens deze heeft mr. R.A. Fibbe, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat art. 6, eerste lid, EVRM en art. 24, eerste lid, Sv zijn geschonden doordat de bestreden beschikking niet in het openbaar is uitgesproken.

4.2.1. Het gaat in deze zaak om de verlening van het verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv naar aanleiding van een Belgisch rechtshulpverzoek op grond waarvan door de Rechter-Commissaris doorzoekingen zijn verricht waarbij stukken van overtuiging in beslag zijn genomen.

4.2.2. Een brief van 7 oktober 2003 van de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel aan de Officier van Justitie bij de Rechtbank te Rotterdam houdt onder meer in:

"In aanmerking nemende de dwangmaatregelen, opgesomd in de teksten van het internationale rechtshulpverzoek d.d. 26 augustus 2003, aangevuld met de teksten d.d. 23 september 2003 en 30 september 2003, zou het in de hoogste mate aangewezen zijn dat de procespartijen geen inzagerecht zou verleend worden en niet zouden gehoord worden naar aanleiding van de procedure die het overzenden van de stukken naar België inhoudt.

Immers het horen van de procespartijen en het verlenen van inzagerecht zou een grote schade opleveren voor het strafrechtelijk onderzoek in België en andere betrokken landen."

4.2.3. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van de vordering van de Officier van Justitie tot het verlenen van het hiervoor onder 4.2.1 bedoelde verlof houdt, voor zover hier van belang, in:

"In verband met het verzoek van de justitiële autoriteiten van België om anderen dan de justitiële autoriteiten niet over het rechtshulpverzoek te informeren en aan dezen geen inzagerecht te verlenen teneinde te voorkomen dat het strafrechtelijk onderzoek in België en in (eventuele) andere betrokken landen grote schade zou lijden, indien de verkregen onderzoeksgegevens voortijdig bekend zouden worden, is oproeping van de verdachte en van belanghebbenden achterwege gebleven en vindt het onderzoek met gesloten deuren plaats."

4.2.4. De bestreden beschikking houdt, voorzover hier van belang, in:

"De rechtbank stelt vast dat het oproepen van [betrokkene 1] en van andere eventuele belanghebbenden op goede gronden achterwege is gebleven, nu het belang van het onderzoek ernstig geschaad kan worden, indien de verkregen onderzoeksgegevens voortijdig bekend zouden worden."

4.3. Bij de processtukken bevindt zich geen proces-verbaal waaruit kan blijken dat de op 14 november 2003 gewezen beschikking in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied.

4.4. Ingevolge art. 552p, vierde lid, Sv in verbinding met het hier toepasselijke art. 552a, vijfde lid (thans zesde lid), Sv dient de behandeling van een vordering als de onderhavige in het openbaar plaats te vinden. Dat brengt gelet op art. 24, eerste lid, Sv mee dat de beschikking in het openbaar dient te worden uitgesproken. Dat laatste geldt ook indien de behandeling op de voet van art. 22, tweede lid, Sv met gesloten deuren heeft plaatsgevonden.

4.5. Naar voortvloeit uit de beschikking van de Hoge Raad van 18 januari 2005, NJ 2005, 407 - gegeven op het beroep van een andere belanghebbende in de onderhavige zaak - mag in een geval als het onderhavige, waarin toepassing is gegeven aan art. 23, vijfde lid, Sv, openbaarheid van de behandeling in raadkamer achterwege blijven. Daartoe kan, zoals hier ook is geschied, de raadkamer bevelen dat de gehele behandeling met gesloten deuren plaatsvindt.

Doel en strekking van genoemde bepaling zouden worden ondergraven, indien de beschikking vervolgens niettemin in het openbaar zou worden uitgesproken. Redelijke wetstoepassing brengt daarom mee aan te nemen dat art. 24, eerste lid tweede volzin, Sv in een geval als het onderhavige uitzondering lijdt en dat van het doen van uitspraak in het openbaar kan worden afgezien.

4.6. Het middel is daarom in zoverre tevergeefs voorgesteld. Ook overigens faalt het. Art. 6 EVRM is in beginsel niet van toepassing op de beklagprocedure van art. 552a Sv aangezien in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld. Van bijzondere omstandigheden waarin dat anders kan zijn, is hier niet gebleken.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2005.