Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3949

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
03304/04 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU3949
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. Afwijzing aanhoudingsverzoek. ’s Hofs oordeel, voorzover inhoudende dat de raadsman van verdachte – gelet op hetgeen door de AG is opgemerkt over haar recente gesprek met de raadsman omtrent de kosten van getuigen – om hem moverende redenen afwezig is, is niet begrijpelijk nu het pv van de terechtzitting t.a.v. de opmerkingen van de AG omtrent dat gesprek niets inhoudt. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden. Immers, ’s hofs oordelen dat verdachte ervoor heeft gekozen niet bij zijn berechting aanwezig te zijn en dat niet aannemelijk is dat de raadsman van verdachte verhinderd is aanwezig te zijn nu diens persoonlijke omstandigheden niet nader zijn gespecificeerd, dragen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek zelfstandig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 744
RvdW 2006, 43
NBSTRAF 2006/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2005

Strafkamer

nr. 03304/04 E

LR/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 18 februari 2004, nummer 22/001602-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het onder punt 4 genoemde gedeelte van het onder 5A subsidiair en 5B subsidiair tenlastegelegde en - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam, Economische Kamer, van 13 februari 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde, verklaard dat het onder 5A primair en 5B primair bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en de verdachte te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging en hem voorts ter zake van 1A. en B. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd", 2 subsidiair "medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd", 5A subsidiair "valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", 5B subsidiair "valsheid in geschrift" en 6. "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Wet inzake de wisselkantoren, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van € 40.000,-, subsidiair 335 dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De verdachte heeft op 24 februari 2004 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 24 november 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel betreft het aanwezigheidsrecht van de verdachte en diens raadsman en klaagt dat het Hof een verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

4.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2004 houdt in:

"De raadsman van de verdachte doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Hij voert daartoe aan dat de verdachte zich niet in staat voelt heden te verschijnen, en dat zijn kantoorgenoot mr. N.J.C. Meijering, die de onderhavige strafzaak behandelt, door persoonlijke omstandigheden heden verhinderd is.

(...).

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof de behandeling van de zaak niet zal aanhouden, nu het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte verhinderd is aanwezig te zijn en het hof het er daarom voor houdt dat de verdachte ervoor kiest niet bij zijn berechting aanwezig te zijn, en nu evenmin aannemelijk is dat de raadsman verhinderd is aanwezig te zijn aangezien de persoonlijke omstandigheden van mr. Meijering niet zijn gespecificeerd. Gelet op hetgeen door de advocaat-generaal is opgemerkt over haar recente gesprek met mr. Meijering omtrent de kosten van getuigen houdt het hof het ervoor dat mr. Meijering om hem moverende redenen afwezig is. De raadsman van de verdachte heeft daarenboven ook geen andere omstandigheden aangevoerd die naar het oordeel van het hof nopen tot de conclusie dat de zaak zal moeten worden aangehouden."

4.2.2. Het Hof heeft vervolgens verstek verleend tegen de niet-verschenen verdachte en het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Nadat de Advocaat-Generaal bij het Hof het woord had gevoerd en haar schriftelijke vordering aan het Hof had overgelegd, heeft de raadsman zijn verzoek om aanhouding herhaald. Evengemeld proces-verbaal houdt als 's Hofs beslissing dienaangaande in:

"Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof het verzoek tot aanhouding van de zaak afwijst, nu ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die naar het oordeel van het hof nopen tot een andere beslissing dan die door het hof genomen op het eerdere verzoek tot aanhouding. De door het hof genoemde gronden, gegeven ter onderbouwing van de afwijzing van het eerder gedane verzoek tot aanhouding, gelden naar 's hofs oordeel nog onverkort."

4.3. Het oordeel van het Hof, voorzover inhoudende dat de raadsman van de verdachte - gelet op hetgeen door de Advocaat-Generaal is opgemerkt over haar recente gesprek met mr. Meijering omtrent de kosten van getuigen - om hem moverende redenen afwezig is, is niet begrijpelijk nu het proces-verbaal van de terechtzitting ten aanzien van opmerkingen van de Advocaat-Generaal omtrent dat gesprek niets inhoudt. Het middel klaagt daarover terecht. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden. Immers, 's Hofs niet onbegrijpelijke oordelen dat de verdachte ervoor heeft gekozen niet bij zijn berechting aanwezig te zijn en dat niet aannemelijk is dat de raadsman van de verdachte verhinderd is aanwezig te zijn nu diens persoonlijke omstandigheden niet nader zijn gespecificeerd, dragen de afwijzing van het verzoek tot aanhouding zelfstandig.

4.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 20 december 2005.