Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3945

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
02776/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU3945
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht in appèl. Uit het niet verschijnen van verdachte ter terechtzitting in appèl kan niet onder alle omstandigheden worden geconcludeerd dat deze afstand heeft willen doen van zijn aanwezigheidsrecht, ook al is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Een dergelijke conclusie is niet gerechtvaardigd indien blijkens de appèlakte een ander adres (waaronder mede is begrepen een postadres of een postbus) is opgegeven dan dat waarop verdachte is ingeschreven in de GBA. In zo’n geval is vereist dat een afschrift van de appèldagvaarding is gezonden aan het in de appèlakte vermelde adres (HR NJ 2002, 317). I.c. heeft verdachte bij het instellen van appèl een postbusnummer in Nederland opgegeven. Op zo’n geval is het voorgaande van toepassing. Dat geldt temeer nu niet valt uit te sluiten dat die opgave van het postbusnummer een door verdachte getroffen maatregel is om te voorkomen dat een oproeping hem niet bereikt (HR NJ 1998, 115). Nu de stukken niets inhouden omtrent toezending van een afschrift van de tweede dagvaarding aan het door verdachte opgegeven postbusnummer, moet worden aangenomen dat ’s hofs oordeel dat aan het vereiste van toezending van de appèldagvaarding aan dat postbusnummer is voldaan, uitsluitend is gebaseerd op de gekopieerde handgeschreven, niet door de griffier geparafeerde aantekening op de kopie van de eerste dagvaarding. Gelet op het met het aanwezigheidsrecht gemoeide belang vormt zo’n aantekening onvoldoende grond om aan te nemen dat die toezending heeft plaatsgehad. Daarom had het hof dienen te onderzoeken of daadwerkelijk een afschrift aan het postbusnummer was gezonden, temeer omdat zowel in het pv van de terechtzitting als in ’s hofs arrest als adres van verdachte dat postbusnummer is opgenomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 670
NJ 2006, 194
NBSTRAF 2005/471
NbSr 2005/471
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 november 2005

Strafkamer

nr. 02776/04

LR/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 2003, nummer 22/003546-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 5 oktober 2001 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 3. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, met ten aanzien van feit 1 ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. van den Berg, advocaat te Rhoon, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot het nemen van die in art. 440 Sv aangewezen beslissing die de Hoge Raad gepast voorkomt.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat de inleidende dagvaarding en de daarop gevolgde oproeping voor een nadere terechtzitting niet juist zijn betekend. Het middel klaagt er verder over dat het Hof de verdachte ten onrechte bij verstek heeft veroordeeld nu het Hof onvoldoende heeft onderzocht of de verdachte gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht.

3.2. De eerste klacht van het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

3.3. De stukken van het geding houden wat betreft de procesgang in hoger beroep, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) een daarvan opgemaakte akte houdt in dat de verdachte op 10 juni 2002 hoger beroep heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 oktober 2001; die akte houdt voorts na de personalia van de verdachte in "wonende te [0002 AA] [plaats A]" en "adres ZVWOVHTL/ p/a Postbus [001]";

(ii) een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de appèldagvaarding - houdt in dat op 15 april 2003 aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage een appèldagvaarding (hierna als eerste aan te duiden) voor de terechtzitting van 27 mei 2003 is uitgereikt; een "GBA-overzicht" van 13 mei 2003 houdt in dat de verdachte op 9 februari 2001 was "vertrokken naar Land onbekend";

(iii) een tweede akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de appèldagvaarding - houdt in dat op 13 mei 2003, na vergeefse aanbieding op het adres [b-straat 1], [0003 BB] [plaats A], nogmaals een appèldagvaarding (hierna als tweede aan te duiden) voor de terechtzitting van 27 mei 2003 aan voornoemde griffier is uitgereikt;

(iv) een handgeschreven aantekening op een kopie van de eerste appèldagvaarding houdt in dat op 29 april 2003 een afschrift van die dagvaarding voor de terechtzitting van 27 mei 2003 met als adressering postbus [001], [0002 AA] [plaats A] per gewone post is verzonden;

(v) op de terechtzitting van 27 mei 2003 is de verdachte noch zijn raadsman verschenen en heeft het Hof verstek verleend tegen de verdachte.

3.4. Bij de beoordeling van de klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Uit het niet verschijnen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep kan niet onder alle omstandigheden worden geconcludeerd dat deze afstand heeft willen doen van zijn aanwezigheidsrecht, ook al is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Een dergelijke conclusie is niet gerechtvaardigd indien blijkens de appèlakte een ander adres (waaronder mede is begrepen een postadres of een postbus) is opgegeven dan dat waarop de verdachte is ingeschreven in de GBA. In een zodanig geval is vereist dat een afschrift van de appèldagvaarding is gezonden aan het in de appelakte vermelde adres (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.38).

3.5. In het onderhavige geval heeft de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een postbusnummer in Nederland opgegeven. Op een dergelijk geval is hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld van toepassing. Dat geldt temeer nu niet valt uit te sluiten dat die opgave van het postbusnummer een door de verdachte getroffen maatregel is om te voorkomen dat een oproeping hem niet bereikt (vgl. HR 15 september 1997, NJ 1998, 115).

3.6. Nu de stukken niets inhouden omtrent toezending van een afschrift van de tweede dagvaarding aan het door de verdachte opgegeven postbusnummer, moet worden aangenomen dat het Hof zijn kennelijke oordeel dat aan het vereiste van toezending van de appèldagvaarding aan dat postbusnummer is voldaan uitsluitend heeft gebaseerd op de hiervoor onder 3.3 sub iv vermelde gekopieerde handgeschreven, niet door de griffier geparafeerde aantekening op de kopie van de eerste dagvaarding. Gelet op het met het aanwezigheidsrecht gemoeide belang, vormt een dergelijke aantekening onvoldoende grond om aan te nemen dat die toezending heeft plaatsgehad. Daarom had het Hof dienen te onderzoeken of daadwerkelijk een afschrift aan het postbusnummer was gezonden. Dit geldt temeer omdat zowel in het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 27 mei 2003, als in het bestreden arrest als adres van verdachte het genoemde postbusnummer is opgenomen. Maar noch uit dat proces-verbaal, noch uit het bestreden arrest blijkt dat het Hof een dergelijk onderzoek heeft ingesteld. Daarom moet het er in cassatie voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en van het arrest. De tweede klacht van het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 22 november 2005.