Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3552

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
30-09-2005
Zaaknummer
40859
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 14 IB’64: Herinvestering via commanditaire vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/53 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 2006/3 met annotatie van R. VAN SCHARRENBURG
Belastingadvies 2005/20.4
V-N 2005/47.15 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1860
NTFR 2005/1298 met annotatie van E. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.859

30 september 2005

whk

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam gedateerd 24 maart 2003 (kennelijk is bedoeld: 24 maart 2004), nr. P03/01592, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.221.689, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 621.221 (€ 281.897). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is een beleggingsmaatschappij, wier activiteiten bestaan uit het beleggen in bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken. In juli 1997 verkocht belanghebbende een bedrijfspand met grond. Belanghebbende heeft voor de bij die verkoop behaalde boekwinst een vervangingsreserve gevormd.

3.1.2. In juli 1999 verkreeg belanghebbende als commanditair vennoot en als mede-vennoot van een commanditair vennoot een belang in de commanditaire vennootschap B CV (hierna: de CV) op grond waarvan belanghebbende deelgerechtigd werd in -voorzover hier van belang - de onroerende zaken van de CV. De CV heeft blijkens de oprichtingsakte onder meer ten doel het ter belegging verkrijgen van onroerende zaken.

3.1.3. Eveneens in juli 1999 heeft de CV een kantoorpand verworven. Belanghebbende heeft de in 1997 gevormde vervangingsreserve volledig afgeboekt op het met haar belang in de CV (37,6%) overeenkomende deel van de aanschaffingskosten van het kantoorpand. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de onderhavige aanslag de volledige vervangingsreserve tot de winst gerekend.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes aandeel in het kantoorpand in haar onderneming dezelfde economische functie vervult als de verkochte onroerende zaak en dat mitsdien plaats is voor afboeking van de in 1997 gevormde vervangingsreserve op belanghebbendes aandeel in de aanschaffingskosten van het kantoorpand.

Aan dit oordeel doet naar 's Hofs oordeel niet af dat belanghebbendes beschikkingsmacht en aansprakelijkheid ten aanzien van het kantoorpand zijn gewijzigd ten opzichte van de situatie met betrekking tot het in 1997 verkochte bedrijfspand.

3.3. Het middel, dat zich tegen deze oordelen keert, faalt. Belanghebbende was eigenaar van het vervreemde pand. Door de deelgerechtigdheid in de CV verkreeg zij de mede-eigendom in het aangekochte pand. Deze verandering van de civielrechtelijke verhouding ten aanzien van het vervreemde en het aangekochte pand is op zichzelf genomen geen reden om artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing te laten, ook niet indien daarbij wordt betrokken dat belanghebbende commanditair vennoot is geworden en niet verder in de eventuele verliezen van de CV behoeft bij te dragen dan tot het beloop van haar kapitaalinbreng in de CV. Het Hof is bij zijn hiervóór in 3.2. vermelde oordelen derhalve in zoverre niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel dat belanghebbendes aandeel in het aangekochte kantoorpand in haar onderneming dezelfde economische functie vervult als het verkochte pand en dat derhalve plaats was voor afboeking van de gevormde vervangingsreserve op het aandeel van belanghebbende in de aanschaffingskosten van het kantoorpand, kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2005.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.