Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3469

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
03373/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU3469
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Toetsing in cassatie. Na een behandeling bij verstek in appèl doet het middel een beroep op de vrijstellingsgrond van art. 5.b Leerplichtwet 1967. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte niet heeft gezorgd dat haar kinderen waren ingeschreven aan een school en overwogen dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. In aanmerking genomen dat de zaak in appèl bij verstek is behandeld, zodat ter terechtzitting door of namens verdachte geen beroep is gedaan op een vrijstellingsgrond, en dat uit de aan de HR gezonden stukken niet het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat verdachte zich met vrucht op de in het middel bedoelde vrijstellingsgrond kon beroepen, was het hof niet gehouden zijn oordeel, dat onjuist noch onbegrijpelijk is, nader te motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 645
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 november 2005

Strafkamer

nr. 03373/04

PB/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 september 2004, nummer 22/003798-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton Leiden van 26 mei 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969, driemaal gepleegd" veroordeeld tot driemaal een geldboete van € 333,33 subsidiair telkens zes dagen hechtenis waarvan telkens € 250,- subsidiair telkens vijf dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de

Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof geen omstandigheid aannemelijk heeft geacht die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit en dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat geen vrijstellingsgronden zoals bedoeld in art. 5, aanhef en sub b, Leerplichtwet 1969 aanwezig waren. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat de verdachte in een brief aan de leerplichtambtenaar een beroep heeft gedaan op de vrijstellingsgrond van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij die te Leiderdorp in de periode van 19 augustus 2002 tot en met 18 november 2002, als moeder het gezag uitoefende over, althans zich met de feitelijke verzorging had belast en daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht van de op [geboortedatum] 1989 geboren jongere [betrokkene 1] en op [geboortedatum] 1992 geboren jongere [betrokkene 2] en op [geboortedatum] 1993 geboren jongere [betrokkene 3], welke jongeren nog niet op grond van artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 buiten de leerverplichting vielen, niet heeft gezorgd, dat die jongeren overeenkomstig de bepalingen van genoemde Wet waren ingeschreven aan een school in de zin van artikel 1 van meergenoemde Wet."

3.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd zoals hiervoor onder 1 is weergegeven en heeft overwogen dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

3.4. Het middel faalt. In aanmerking genomen dat de zaak in hoger beroep bij verstek is behandeld, zodat ter terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte geen beroep is gedaan op een vrijstellingsgrond, en dat uit de aan de Hoge Raad gezonden gedingstukken niet het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat de verdachte zich met vrucht op de in het middel bedoelde vrijstellingsgrond kon beroepen, was het Hof niet gehouden zijn oordeel, dat voorts geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is, nader te motiveren.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 november 2005.