Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3309

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
03471/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU3309
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de effectuering van de onttrekking aan het verkeer afhankelijk gesteld van een voorwaarde (de onherroepelijke afwijzing van een ontheffingsaanvraag ex art. 4 WWM). Die mogelijkheid kent de wet niet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 703
NJ 2007, 279
NBSTRAF 2006/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2005

Strafkamer

nr. 03471/04

SG/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 mei 2004, nummer 22/005325-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 22 juli 2003 - de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot het voorwaardelijk opleggen van de maatregel van onttrekking aan het verkeer.

3.2. Het middel is gericht tegen de volgende beslissing van het Hof:

"Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

1.00 STK Imitatiewapen

Mortier 81 M 81 mm

Bepaalt, dat de maatregel van onttrokken verklaring niet eerder ingaat dan op de dag na die waarop onherroepelijk afwijzend is beslist op het voor dat voorwerp door of namens de verdachte op een datum voor heden gedaan verzoek om ontheffing in de zin van artikel 4 van de Wet wapens en munitie."

3.3. Met betrekking tot deze beslissing heeft het Hof het volgende overwogen:

"8. De onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp

Vaststaat dat het in beslaggenomen voorwerp een zodanige gelijkenis bezit met een wapen dat het geschikt is voor bedreiging of afdreiging en dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Wat betreft het ongecontroleerde bezit wordt evenwel naar het oordeel van het hof de situatie anders, indien voor het voorwerp op de voet van artikel 4 van de Wet wapens en munitie een ontheffing zou zijn verleend. Volgens de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting van het hof is (onder meer) de inbeslagneming van het voorwerp aanleiding geweest tot indiening van een dergelijke ontheffingsaanvraag. Niet ondenkbaar is dat ontheffing onder strikte beperkende voorwaarden, met name ten behoeve van het museaal tentoonstellen, zou kunnen worden verleend. Het hof zal daarom bepalen dat het voorwerp onttrokken dient te worden aan het verkeer maar tevens dat dit niet eerder het geval zal zijn dan na een onherroepelijke afwijzing van de aanhangige ontheffingsaanvraag."

3.4. Aldus heeft het Hof de effectuering van de onttrekking aan het verkeer afhankelijk gesteld van een voorwaarde. Die mogelijkheid kent de wet niet. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 december 2005.