Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3297

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
03260/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU3297
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359a Sv; onrechtmatigheid niet in voorbereidend onderzoek van de te beoordelen zaak. In cassatie staat vast dat (i) politiefunctionarissen onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning van een derde, (ii) die functionarissen optraden ter executie van een tegen verdachte gewezen vonnis, (iii) daarop de thans bewezenverklaarde bedreiging door verdachte van een van die functionarissen is gevolgd. Daaruit kan bezwaarlijk anders volgen dan dat het onrechtmatige binnentreden niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedreiging. Het hof heeft het verweer dus terecht verworpen (HR NJ 2004, 376). Het beroep dat wordt gedaan op schending van art. 8 EVRM doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Algemene wet op het binnentreden
Algemene wet op het binnentreden 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 693
NJ 2006, 193 met annotatie van Y. Buruma
NBSTRAF 2005/465
NbSr 2005/465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 november 2005

Strafkamer

nr. 03260/04

SG/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 juli 2004, nummer 23/002451-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 15 mei 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1. primair en 2. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij voorzover betrekking hebbende op feit 2 afgewezen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering ten aanzien van feit 1.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van mr. Hamer voornoemd en mr. S.L.J. Janssen, advocaat te Amsterdam, op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft op gronden, als in de pleit-aantekeningen verwoord, betoogd dat het binnentreden in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats B] op 3 november 1999 ter aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, daar de wijze van binnentreden een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte vormt. Daartoe is het volgende gesteld. Nadat de bewoonster van de woning, [betrokkene 1], geen toestemming gaf tot binnentreden en verbalisanten vroeg om een machtiging, heeft verbalisant Scholten haar (tot drie keer toe) een blanco machtiging tot binnentreden in een woning "voorgelezen". Omdat de bewoonster haar naam noch adres en datum op de machtiging zag staan, weigerde ze wederom toestemming, maar de verbalisanten zijn vervolgens toch de woning binnengegaan. Deze wijze van binnentreden vormt een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van niet alleen [betrokkene 1], maar tevens van verdachte nu de woning aan de [a-straat 1] door de verbalisanten is aangemerkt als "eventuele andere verblijfplaats" van de verdachte en derhalve ook jegens hem de waarborgen van de Algemene wet op het binnentreden gelden.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de bewoonster van de woning aan de [a-straat 1], [betrokkene 1], verbalisanten geen toestemming tot binnentreden van haar woning heeft gegeven. Hierop hebben verbalisanten een blanco machtiging uit de auto gehaald en heeft verbalisant Scholten deze aan de bewoonster voorgelezen. Ook na het "voorlezen" van deze machtiging weigerde de bewoonster toestemming tot binnentreden. Desondanks hebben verbalisanten de woning betreden en is verdachte in een slaapkamer aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat er sprake is geweest van binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner en zonder dat de daarvoor bij de Algemene wet op het binnentreden gestelde voorschriften zijn nageleefd. Door op deze wijze de woning aan de [a-straat 1] binnen te treden is er, zoals ook door de politierechter in de strafzaak tegen [betrokkene 1] overwogen, sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming de belangen van de bewoonster, [betrokkene 1], zijn geschonden. Nu verdachte echter -gelet op het feit dat hij stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats B] en dat hij in zijn verklaring van 3 november 1999, dossierpagina 36 e.v. heeft verklaard dat hij alleen woont en in de ochtend van 3 november 1999 naar de woning van zijn ex-vrouw is gegaan om op zijn kinderen te passen- niet als bewoner van de onderhavige woning in de zin van de Algemene wet op het binnentreden kan gelden, kan niet worden gezegd dat het ook verdachte is geweest die door het onbevoegdelijk binnentreden in die woning is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen."

3.3. In cassatie staat het volgende vast:

(i) er is door de politiefunctionarissen onrechtmatig binnengetreden in de woning van een derde;

(ii) die functionarissen traden op ter executie van een tegen de verdachte gewezen vonnis;

(iii) daarop is de thans tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedreiging door de verdachte van een van die functionarissen gevolgd.

3.4. Daaruit kan bezwaarlijk anders volgen dan dat het onrechtmatige binnentreden niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedreiging.

Het Hof heeft het verweer dus terecht verworpen (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376).

Het beroep dat wordt gedaan op schending van art. 8 EVRM doet daaraan niet af.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 november 2005.