Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU3161

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2005
Datum publicatie
23-09-2005
Zaaknummer
40096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 11, lid 1, eerste volzin, letter b, Wet op de inkomstenbelasting 1964, energie-investeringen, begrip bedrijfsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/361
Belastingadvies 2005/19.5
V-N 2005/46.10 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1815
NTFR 2005/1255 met annotatie van mr. W.J.H. Antonisse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.096

23 september 2005

LC

gewezen op het beroep in cassatie van X1 en X2 te Z, tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 12 augustus 2003, nrs. AWB 01/91 en 01/271, betreffende na te melden beschikkingen inzake energie-investeringen.

1. Beschikkingen, bezwaar en geding voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven

De Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister) heeft bij beschikkingen van 11 mei 2000 jegens belanghebbenden verklaard dat voor een bedrag van ƒ 189.116 sprake is van energie-investeringen.

Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen deze beschikkingen. Deze bezwaren heeft de Minister ongegrond verklaard.

Belanghebbenden zijn tegen deze beslissingen in beroep gekomen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College).

Het College heeft de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het College is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het College beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbenden vormden in 1999 een maatschap en exploiteerden als zodanig een glastuinbouwbedrijf. Ten behoeve van dit bedrijf zijn zij op 18 maart 1999 investeringsverplichtingen aangegaan met betrekking tot een tweetal warmtekrachtinstallaties, aangeduid als Zantec 300 en Zantec 590. Zij zijn deze gaan gebruiken voor de verwarming van hun tuinbouwkassen.

3.1.2. Van de Zantec 300 maakte onder meer een rookgascondensor deel uit. In de Zantec 590 ontbrak deze; wel was daarin een rookgaskoeler opgenomen. De van de Zantec 590 afkomstige rookgassen werden niet door de condensor van de Zantec 300 gecondenseerd.

3.1.3. Belanghebbenden hebben op de voet van artikel 11, lid 1, eerste volzin, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ieder voor zich aan de Minister verzocht te verklaren dat hier sprake is van een investering die in het belang is van een doelmatig gebruik van energie in de zin van de laatstvermelde bepaling (hierna: energie-investering). Bij zijn bestreden beschikkingen heeft de Minister verklaard dat de investering, voorzover deze is gedaan in de Zantec 300 wordt aangemerkt als een energie-investering en dat de investering voorzover deze is gedaan in de Zantec 590 niet als een dergelijke investering wordt aangemerkt, aangezien deze niet - zoals bepaald in de op het tijdstip waarop de investering werd gedaan van kracht zijnde zogeheten Energielijst 1999 (bijlage I bij de Uitvoeringsregeling energieaftrek) - is voorzien van een rookgascondensor.

3.2.1. Op het betoog van belanghebbenden dat de Minister ten onrechte ervan is uitgegaan dat sprake is van investeringen in twee afzonderlijke installaties en niet in één installatie, voorzien van een rookgascondensor, heeft het College geoordeeld dat sprake is van twee afzonderlijke warmtekrachtinstallaties, die ieder op zichzelf aan de voorwaarden van de Energielijst moeten voldoen. Hierin ligt besloten het oordeel dat het hier gaat om twee afzonderlijke bedrijfsmiddelen.

De klacht komt onder meer tegen dit oordeel op met het betoog dat de Zantec 300 en de Zantec 590 juist in combinatie een functie vervullen binnen het bedrijf en daarom twee units zijn van één bedrijfsmiddel.

De klacht faalt in zoverre, nu het oordeel van het College geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.

3.2.2. De klacht kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden, nu deze in zoverre niet betreft de uitlegging van het begrip 'investering' of 'bedrijfsmiddel' en op grond van artikel 11, lid 13, in verbinding met artikel 10, lid 11, tweede en derde volzin, van de Wet tegen een uitspraak van het College slechts beroep in cassatie kan worden ingesteld vanwege schending of verkeerde toepassing van deze begrippen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2005.