Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU2902

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2005
Datum publicatie
28-10-2005
Zaaknummer
C04/213HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU2902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aankoop door een gemeente van percelen landbouwgrond in de wetenschap dat daarvoor ook een derde (de eigenaar van het aangrenzende perceel, die zijn bedrijf wil uitbreiden) gegadigd was; onrechtmatige overheidsdaad door welbewust te profiteren van de wanprestatie van de verkoper dan wel door de schending anderszins van een ongeschreven onzorgvuldigheidsnorm; wettelijke rente, aanvangstijdstip; verwijzing naar schadestaatprocedure, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 606
NJ 2006, 558
O&A 2006, 9
JWB 2005/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 oktober 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/213HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE GEMEENTE MAASBREE,

gevestigd te Maasbree,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 26 oktober 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en na vermeerdering van eis gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade die [verweerder] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Gemeente in de vorm van levering van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [A] [001] en [002], tezamen groot 51 are, tegen betaling van de koopprijs die [verweerder] en [betrokkene 1] zijn overeengekomen, te weten ƒ 54.000,--, binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van ƒ 25.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de Gemeente in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;

subsidiair: voor zover de primaire vordering niet toewijsbaar zou blijken, te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld en deswege de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die [verweerder] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Gemeente, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 17 augustus 1998, zijnde de datum van levering van de grond aan de Gemeente, tot aan de dag der algehele voldoening.

De Gemeente heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 oktober 1999 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 20 februari 2002 heeft het hof [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij eindarrest van 6 april 2004 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de subsidiaire vordering van [verweerder] alsnog toegewezen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de Gemeente heeft bij brief van 9 juni 2005 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] exploiteerde een snijbloemkwekerij aan de [a-straat 1] te [plaats]. De grond waarop het bedrijf van [verweerder] werd uitgeoefend grensde aan twee percelen landbouwgrond, gelegen aan [b-straat] te [plaats], die eigendom waren van [betrokkene 1].

(ii) Omdat [verweerder] zijn bedrijf wilde uitbreiden, heeft hij met [betrokkene 1] onderhandeld over de aankoop van de twee percelen landbouwgrond. Op 18 juli 1997 is van de zijde van [betrokkene 1] aan [verweerder] medegedeeld onder welke voorwaarden en tegen welke prijs de twee percelen gekocht zouden kunnen worden.

(iii) In verband met mogelijke woningbouw ter plaatse had ook de Gemeente belangstelling voor de twee percelen van [betrokkene 1]. Namens de Gemeente heeft [betrokkene 2], als rentmeester werkzaam bij Arcadis Heidemij Advies, vanaf juni 1997 met [betrokkene 1] onderhandeld over de aankoop daarvan.

(iv) Op 8 oktober 1997 heeft [betrokkene 2], onder "voorbehoud van goedkeuring door het gemeentebestuur", de door [betrokkene 1] gevraagde prijs geaccepteerd. In zijn vergadering van 14 juli 1998 heeft de gemeenteraad besloten over te gaan tot aankoop van de percelen van [betrokkene 1]. Op 17 augustus 1998 zijn de percelen aan de Gemeente geleverd.

3.2 De hiervoor in 1 weergegeven vordering die [verweerder] in dit geding heeft ingesteld, komt samengevat weergegeven erop neer dat de Gemeente zal worden veroordeeld tot schadevergoeding omdat zij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door in de gegeven omstandigheden de percelen van [betrokkene 1] aan te kopen hoewel zij wist dat [betrokkene 1] deze al aan [verweerder] had verkocht. De Gemeente heeft de vordering betwist.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft in de kern overwogen dat de gestelde koopovereenkomst niet bewezen was en dat de Gemeente in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig tegenover [verweerder] heeft gehandeld door de percelen aan te kopen, nu sprake is van twee gelijkwaardige partijen die van elkaar wisten dat zij geïnteresseerd waren in aankoop van die percelen en de Gemeente daartoe pas is overgegaan nadat een overeengekomen wachtperiode was verstreken.

[Verweerder] heeft in hoger beroep de grondslag van zijn vordering aangevuld in die zin dat, ook indien nog geen definitieve overeenkomst tussen hem en [betrokkene 1] zou zijn gesloten, de wetenschap van de precontractuele verhoudingen tussen [verweerder] en [betrokkene 1] de Gemeente ervan had moeten weerhouden te trachten [betrokkene 1] tot het sluiten van een koopovereenkomst te bewegen.

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 20 februari 2002, kort gezegd, als volgt overwogen. De Gemeente wist dat [betrokkene 1] met [verweerder] in gesprek was over de aankoop van de percelen op het moment dat zij, de Gemeente, daarin geïnteresseerd raakte. Zij wist ook dat de enigszins terughoudende opstelling van [verweerder] in die gesprekken uitsluitend samenhing met de gesprekken die [verweerder] met (ambtenaren van) de Gemeente had gevoerd over de toekomst van zijn bedrijf. Door onder die omstandigheden de percelen van [betrokkene 1] te kopen heeft de Gemeente onrechtmatig tegenover [verweerder] gehandeld, nu zij onvoldoende heeft weersproken dat zij wist dat de informatie die [verweerder] in dat verband verwachtte te zullen ontvangen van haar moest komen en zij, als omtrent de verplaatsing van het bedrijf van [verweerder] door haar op korte termijn geen uitsluitsel viel te geven, heeft verzuimd om [verweerder] dat te laten weten (rov. 2.9 en 2.10). Vervolgens heeft het hof ter beoordeling van de vraag of [verweerder] ten gevolge van de handelwijze van de Gemeente schade heeft geleden, [verweerder] toegelaten te bewijzen dat tussen hem en [betrokkene 1] een koopovereenkomst met betrekking tot de twee percelen van [betrokkene 1] is gesloten, dan wel zou zijn gesloten zonder de aankoop daarvan door de Gemeente.

In zijn eindarrest van 6 april 2004 heeft het hof [verweerder] niet geslaagd geacht in het bewijs dat de door hem gestelde koopovereenkomst met [betrokkene 1] al tot stand was gekomen. Het overwoog vervolgens, kort samengevat, als volgt (rov. 5.3 en 5.4). Zowel [verweerder] als [betrokkene 1] verklaart dat [verweerder] al in de jaren voor 1997 met enige regelmaat bij [betrokkene 1] is geweest om te praten over de twee perceeltjes van [betrokkene 1]. [verweerder] stelt dat al een prijs van ƒ 10,-- per meter was overeengekomen maar dat hij, toen de adviseur van [betrokkene 1] een prijs van ƒ 20,-- per meter noemde, daarmee direct akkoord was. [betrokkene 1] wilde in 1997 zijn perceeltjes verkopen. Het staat vast dat [betrokkene 1] aan [verweerder] de eerste kans wilde geven. Gelet op het grote belang voor [verweerder] bij aankoop en zijn bereidheid direct de van ƒ 10,-- tot ƒ 20,-- per meter verhoogde vraagprijs te betalen, is het hof van oordeel dat [verweerder] en [betrokkene 1] ten aanzien van de prijs tot overeenstemming zouden zijn gekomen. Het intrekken van de acceptatie op 18 juli 1997 door [verweerder] staat aan dit oordeel niet in de weg.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor recht verklaard dat de Gemeente onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld en de subsidiaire vordering van [verweerder] tot vergoeding van schade op te maken bij staat toegewezen.

3.3 Onderdeel 1.a van het door de Gemeente aangevoerde middel is gericht tegen rov. 2.9 en 2.10 van het tussenarrest. Met het onderdeel betoogt de Gemeente dat in de gegeven omstandigheden de aankoop door haar van de percelen in beginsel slechts dan onrechtmatig jegens [verweerder] kan zijn, indien [betrokkene 1] daardoor - kenbaar voor de Gemeente - jegens [verweerder] wanprestatie pleegde.

Het onderdeel faalt omdat de Gemeente in de gegeven omstandigheden niet alleen onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld als zij (onder bijkomende omstandigheden) welbewust heeft geprofiteerd van door [betrokkene 1] jegens [verweerder] gepleegde wanprestatie, maar ook indien zij anderszins een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm tegenover [verweerder] heeft geschonden, zoals naar het oordeel van het hof het geval is geweest.

3.4 Onderdeel 1.b voert in de eerste plaats aan dat 's hofs oordeel dat de Gemeente in de gegeven omstandigheden onrechtmatig tegenover [verweerder] heeft gehandeld louter vanwege de omstandigheid dat zij niet aan hem heeft medegedeeld dat zij geen zekerheid kon verschaffen over een (eventuele) toekomstige verplaatsing van zijn bedrijf, onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd.

Deze klacht mist feitelijke grondslag omdat 's hofs oordeel niet louter op die omstandigheid is gebaseerd.

3.5 Onderdeel 1.b voert verder aan dat het bestreden oordeel van het hof in elk geval onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, als een viertal in de feitelijke instanties naar voren gebrachte stellingen van de Gemeente mede in de beoordeling wordt betrokken.

Het onderdeel faalt reeds omdat het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, klaarblijkelijk en geenszins onbegrijpelijk in de processtukken waarvan de Gemeente zich heeft bediend, op de door het onderdeel genoemde plaatsen geen stellingen heeft gelezen zoals door het onderdeel bedoeld.

3.6 Onderdeel II voert drie klachten aan tegen hetgeen het hof in de rov. 5.3 en 5.4 van zijn eindarrest heeft overwogen. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.7 Onderdeel III.a is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.6 van zijn eindarrest dat partijen naar de schadestaat worden verwezen. Volgens het onderdeel is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat de door [verweerder] nagestreefde bedrijfsuitbreiding een geheel eigen keuze van hem betreft. Niet valt in te zien dat het feit dat de bedrijfsuitbreiding nu geen doorgang kan vinden, schade oplevert die door de Gemeente dient te worden vergoed.

Het onderdeel faalt. Het ziet eraan voorbij dat voor een verwijzing van partijen naar de schadestaat noodzakelijk, maar tevens voldoende is dat het bestaan of de mogelijkheid van schade als gevolg van de gestelde wanprestatie of onrechtmatige daad, aannemelijk is. De omstandigheid dat de door [verweerder] nagestreefde bedrijfsuitbreiding een geheel eigen keuze van hem betreft, is geenszins onverenigbaar met een verwijzing van partijen naar de schadestaat.

3.8 Onderdeel IIIb keert zich tegen het oordeel van het hof dat de wettelijke rente over de schade tot vergoeding waarvan de Gemeente is veroordeeld, toewijsbaar is vanaf 17 augustus 1998. Het onderdeel acht dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, aangezien de door [verweerder] bedoelde schade eerst zou moeten zijn ontstaan in de loop van 1999, op het moment van verkoop van zijn bedrijf, en dus niet op het moment waarop levering van de percelen door [betrokkene 1] aan de Gemeente plaatsvond.

Het onderdeel kan geen doel treffen. Het hof heeft blijkbaar toepassing gegeven aan art. 6:83 aanhef en onder b in verbinding met art. 6:119 lid 1 BW en heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het bestreden oordeel van het hof behoefde geen nadere motivering nu de Gemeente blijkens de gedingstukken geen verweer heeft gevoerd tegen de door [verweerder] reeds in zijn conclusie van eis in eerste aanleg geformuleerde eis voorzover hij daarbij wettelijke rente vanaf 17 augustus 1998 vorderde en in het bijzonder niet heeft aangevoerd - gelijk zij thans in cassatie doet - dat de wettelijke rente vanaf een latere datum moet worden berekend omdat de schade waarvan [verweerder] vergoeding vordert door [verweerder] eerst is geleden in de loop van 1999.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de president W.J.M. Davids op 28 oktober 2005.