Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU2716

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2005
Datum publicatie
08-11-2005
Zaaknummer
03676/04 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU2716
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De HR verwerpt onder verwijzing naar de conclusie van de A-G en HR LJN AD5579 het middel, inhoudende dat de Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II t.t.v. het feit nog niet van kracht was, omdat de regeling op 30-3-01, voorafgaand aan plaatsing in de Stcrt., slechts was bekendgemaakt aan de media en dit niet kan gelden als een behoorlijke wijze van bekendmaking. Conclusie A-G: ’s hofs oordeel dat bekendmaking van voornoemde regeling heeft plaatsgevonden conform art. 31 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en dat deze bepaling niet in strijd is met art. 89 Grondwet en art. 4 Bekendmakingswet alsmede dat de regeling op 30-3-01 en dus vóór de datum van het bewezenverklaarde feit in werking is getreden, zodat ook geen strijd bestaat met art. 7 EVRM, is onjuist noch onbegrijpelijk. Overigens was ingevolge de Wijziging Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 e.a. vóór inwerkingtreding van de onderhavige Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II sinds 24-3-01 om 22.45 uur al een algemeen verbod tot het niet emissie-arm aanwenden van mest van toepassing, dat was gepubliceerd in de Stcrt. Laatstgenoemde regeling heeft het reeds bestaande, landelijk geldende verbod vervolgens beperkt tot bepaalde gebieden. Het verbod was dus hoe dan ook tijdig en behoorlijk bekendgemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 628
NJ 2006, 122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 november 2005

Strafkamer

nr. 03676/04 E

AGJ/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 24 september 2004, nummer 22/002764-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 november 2002 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 17 (oud) van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren" veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- subsidiair 24 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II (Stcrt. 4 april 2001, nr. 67, p. 16), ten tijde van het feit nog niet van kracht was, omdat de regeling op 30 maart 2001, voorafgaand aan plaatsing in de Staatscourant, slechts was bekendgemaakt aan de media en dit niet kan gelden als een behoorlijke wijze van bekendmaking.

3.2. Het middel faalt op de gronden als in de conclusie van de Advocaat-Generaal vermeld (vgl. HR 8 januari 2002, LJN AD5579).

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 8 november 2005.