Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU2694

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
11-10-2005
Zaaknummer
01237/05 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU2694
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan Italië. Uitleg art. 45.1 Sv. Het ex art. 29.1 Uitleveringswet in uitleveringszaken van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 45.1 Sv dient aldus te worden uitgelegd dat bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman een andere raadsman moet worden toegevoegd en dat daarvan slechts in bijzondere gevallen kan worden afgezien. Dit voorschrift is van zo wezenlijke betekenis dat, ook al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van het uitleveringsverzoek in de weg te staan. De door de rb in ogenschouw genomen feiten en omstandigheden (belangen o.p. op een eerdere zitting al door een raadsman behartigd; o.p. heeft pas kort voor de zitting aangegeven niet langer van de diensten van de toegevoegde raadsman gebruik te willen maken; art. 24.1 Uitleveringswet eist een voortvarende behandeling) leveren niet een bijzonder geval op als evenbedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 589
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2005

Strafkamer

nr. 01237/05 U

PB/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 28 april 2005, nummer 15/700032-04, op een verzoek van het Italiaanse "Ministero della Giustizia, Dipartimento per gli Affari di Giustizia" tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland" (Huis van Bewaring "Haarlem") te Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van het in de bestreden uitspraak omschreven feit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. P.J. van den Broeke, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot bepaling van de dag van de feitelijke behandeling van het uitleveringsverzoek door de Hoge Raad.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet een nieuwe raadsman heeft toegevoegd aan de opgeëiste persoon.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 22 februari 2005 zijn de opgeëiste persoon en zijn raadsman aldaar verschenen en is, nadat onder anderen de raadsman het woord had gevoerd, het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de Officier van Justitie in de gelegenheid te stellen aanvullend onderzoek te (doen) verrichten.

3.3. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 14 april 2005 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter hervat het op 22 februari 2005 geschorste onderzoek in de zaak.

Aangezien de rechtbank thans anders is samengesteld dan ter zitting van 22 februari 2005, wordt het onderzoek ter zitting opnieuw aangevangen.

De voorzitter doet mededeling van de brief van de raadsman van de opgeëiste persoon van 13 april 2005, waarin hij mededeelt dat hij de verdediging van de opgeëiste persoon heeft neergelegd.

(...)

Op vragen van de voorzitter antwoordt de opgeëiste persoon - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik heb geen advocaat. Ik was niet tevreden over het optreden van mr. Wolters ten tijde van de vorige zitting.

(...)

Op de mededeling van de voorzitter dat de opgeëiste persoon door aangeefster [betrokkene 1] herkend is als de man die haar gestoken heeft, antwoordt de opgeëiste persoon - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik kan het niet begrijpen, de dossiers zijn in het Nederlands en Italiaans opgesteld. Het dossier had in het Frans vertaald dienen te worden. Ik heb ook een advocaat nodig, ik ben nog naar de rechtbank geweest om een advocaat te vinden.

(...)

De opgeëiste persoon verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende:

De foto bewijst niets. Ik heb een advocaat nodig. Ik ken Nederland niet, ik versta geen Nederlands, het kost mij moeite om inlichtingen in te winnen. De advocaat van wie ik nu geen gebruik meer wens te maken had het over polygamie, daar was ik het niet mee eens. Ik ben bij de politie geweest om een andere advocaat te vragen. Ik zou een brief moeten schrijven aan de priester. Ik zou twee formulieren moeten invullen, maar ik snap de Nederlandse formulieren niet. Ik wil een nieuwe advocaat.

Mede naar aanleiding van het in de opmerkingen van de opgeëiste persoon besloten liggende verzoek om aanhouding onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter zitting voor beraad in raadkamer.

De voorzitter deelt - na beraad - als beslissing van de rechtbank mede dat zij geen aanleiding ziet de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden.

(...)

Evenmin ziet de rechtbank aanleiding de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen een nieuwe advocaat te zoeken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat weliswaar de opgeëiste persoon recht heeft op bijstand van een advocaat bij de behandeling van een uitleveringsverzoek, maar in aanmerking genomen dat de aan de opgeëiste persoon toegevoegde raadsman ter zitting van 22 februari 2005 uitgebreid de belangen van hem heeft behartigd, welke belangenbehartiging er mede toe heeft geleid dat de rechtbank aan de Italiaanse autoriteiten nadere informatie heeft gevraagd en voorts dat de opgeëiste persoon pas kort voor de zitting heeft laten weten dat hij niet langer gebruik van de diensten van de toegevoegde advocaat wil maken, moet het voor rekening en risico van de opgeëiste persoon komen dat de behandeling van het uitleveringsverzoek thans zonder bijstand van een raadsman zal worden afgerond. Bij die beslissing heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat het bepaalde in artikel 24, eerste lid van de Uitleveringswet, welke bepaling mede in het belang van de verzoekende Staat is gegeven, een voortvarende behandeling van het uitleveringsverzoek eist."

3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- Art. 24, eerste en derde lid, Uitleveringswet (UW):

"1. Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 23 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zoveel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.

3. Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman."

- Art. 25, derde lid, UW:

"Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan."

- Art. 29, eerste lid, UW:

"De artikelen (...) 45 tot en met 49 (...) van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing."

- Art. 45 Sv:

"1. Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt zo nodig aan de verdachte onverwijld een andere raadsman toegevoegd.

2. Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden toegevoegd.

3. Toevoeging van een andere raadsman geschiedt door het bureau rechtsbijstandvoorziening dat de te vervangen raadsman heeft toegevoegd. In geval de raadsman is toegevoegd op last van een rechterlijke autoriteit, geschiedt de vervanging na een daartoe strekkende last van die autoriteit.

4. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas op de terechtzitting, dan geeft de voorzitter last tot toevoeging van een andere raadsman."

3.5. De woorden 'zo nodig' zijn in het eerste lid van art. 45 Sv ingevoegd bij de Wet van 26 oktober 1973, Stb. 1973, 509 in werking getreden op 1 januari 1974. De Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid, houdt ten aanzien van de ontwerp-art. 41-48 Sv het volgende in:

"Deze artikelen komen overeen met die welke de Commissie-Feber in bijlage I bij haar rapport heeft voorgesteld." (Kamerstukken II, 1972, 9994, nr. 8, blz. 13)

De Commissie-Feber heeft genoemde aanvulling van art. 45 Sv als volgt toegelicht:

"In het eerste lid zijn de woorden "zo nodig" ingelast, omdat het in geval van verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman niet altijd noodzakelijk zal zijn een andere raadsman toe te voegen. Zo kan - met name bij tijdelijke verhindering - eventueel gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 46, eerste lid, opent (waarneming van bepaalde verrichtingen door een andere advocaat). Ook zou de rechter, wanneer hij constateert dat de toegevoegde raadsman niet aanwezig is, de behandeling van de zaak kunnen verdagen zonder (tevens) een andere raadsman toe te voegen. Voorts is het mogelijk, dat de verdachte verklaart alsnog de voorkeur te geven aan een gekozen raadsman en dan ook aanstonds een raadsman kiest. Tenslotte kan het zijn, dat de rechter termen vindt de zaak onmiddellijk in een voor de verdachte gunstige zin te beëindigen, b.v. door hem, bij de beslissing op een bezwaarschrift tegen de dagvaarding, buiten vervolging te stellen zonder de last of het bevel, bedoeld in art. 37, tweede en derde lid, W.v.S. (Vgl. art. 259, vijfde lid, Sv.) Voorafgaande toevoeging van een andere raadsman zou in dat geval een nodeloze, en tegen het belang van de verdachte ingaande, formaliteit zijn." (Kamerstukken II, 1968-1969, 9994, nr. 3, bijlage A, blz. 21)

3.6. In het licht van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis dient art. 45, eerste lid, Sv aldus te worden uitgelegd dat bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman in de regel aan de verdachte een andere raadsman moet worden toegevoegd en dat daarvan slechts in bijzondere gevallen kan worden afgezien. Dit ingevolge art. 29, eerste lid, UW ook in het uitleveringsproces toepasselijke voorschrift is van zo wezenlijke betekenis dat, ook al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van het uitleveringsverzoek in de weg te staan.

3.7. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de door de Rechtbank in ogenschouw genomen feiten en omstandigheden niet opleveren een bijzonder geval als evenbedoeld waarin mag worden afgezien van toevoeging van een andere raadsman, is haar beslissing om de behandeling van het uitleveringsverzoek af te ronden zonder dat de opgeëiste persoon daarbij werd bijgestaan door een raadsman, niet naar behoren met redenen omkleed.

3.8. Voorzover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 9 november 2005 te 14.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 oktober 2005.