Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU2230

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
03047/04 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU2230
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak; kostenverweer. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Wanneer evenwel door of namens betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in geval van verwerping van dat verweer in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene dienen te blijven (HR NJ 2002, 124). Het hof was van oordeel dat de opgevoerde kosten voor de inrichting van de hennepkwekerijen, de aanschaf van zeecontainers en de huur/hypotheek voor de panden waarin de kwekerijen waren gevestigd niet voor aftrek in aanmerking kwamen. Wat betreft de kosten van de hypotheek en de zeecontainers is ’s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk. Wat betreft de inrichtingskosten en de huurkosten is ’s hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. Inrichtingskosten kunnen op zichzelf in de vorm van afschrijvingskosten voor aftrek in aanmerking komen, zodat het hof nader had moeten motiveren dat van een zodanige aftrek i.c. geen sprake kan zijn. ’s Hofs oordeel dat de huurkosten “op meerdere andere wijzen dan voor de hennepkweek dienstig kunnen zijn geweest en het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt” behoefde nadere motivering gelet op de vaststellingen van het hof die erop duiden dat er steeds een hennepkwekerij in het gehuurde pand is gesitueerd, terwijl de gedingstukken niets inhouden waaruit kan volgen dat het pand (mede) een andere bestemming had.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2006, 59
NBSTRAF 2005/480
NbSr 2005/480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 november 2005

Strafkamer

nr. 03047/04 P

IV/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 augustus 2004, nummer 21/003808-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Zwolle van 10 juli 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 162.931,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de door de verdediging opgevoerde kosten voor de inrichting van de hennepkwekerijen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voor aftrek in aanmerking komen. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de opgevoerde kosten voor huur, hypothecaire lening en aanschaf van zeecontainers evenmin voor aftrek in aanmerking komen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. De betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en van opiumwetdelicten. De feiten betroffen - kort gezegd - de exploitatie van hennepkwekerijen in een vijftal panden.

3.2.2. De raadsman heeft in de ontnemingszaak in hoger beroep aangevoerd dat de kosten van de met de hennepteelt verband houdende inrichting van die hennepkwekerijen van het voordeel dienen te worden afgetrokken. Daarbij is in de pleitnotities per hennepkwekerij aangegeven waaruit die inrichting bestond en zijn de kosten daarvan gespecificeerd.

3.2.3. Voorts houden die pleitnotities, met overlegging van een huurcontract met betrekking tot het pand [a-straat 1], omtrent de in het tweede middel bedoelde kosten het volgende in:

- ten aanzien van het pand aan de [a-straat 1]:

"Er is geen rekening gehouden met andere reëel te bepalen kosten zoals de huur van het pand (...)." en "De huur van het pand bedroeg ƒ 4.166,67 (€1.890,75) excl. BTW per maand."

- ten aanzien van het pand aan de [b-straat 1]:

"Daarnaast is geen rekening gehouden met de kosten van de drie zeecontainers. Deze kosten ƒ 8.000,- (€ 3.630,-) per stuk."

- ten aanzien van het pand aan de [c-straat 1]:

"Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is geen rekening gehouden (...) met de kosten van de hypothecaire geldlening waarmee het pand is gekocht. Die bedroegen ƒ 700,- per maand."

3.3.1. Als bewijsmiddel "ten aanzien van de [a-straat 1] (bedrijfspand)" is door het Hof onder meer gebezigd een proces-verbaal van politie inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Dit betreft een bedrijfspand. Deze kwekerij zou in de nacht van 7 op 8 december 2001 "geript" zijn. (...)."

3.3.2. Het bestreden arrest houdt omtrent de hennepkwekerij in het pand [a-straat 1] nog het volgende in:

"Uit de stukken van de zaak is het hof gebleken dat veroordeelde de loods aan de [a-straat 1] te [plaats A] op 1 november 1999 heeft gehuurd. (...) Gelet op een en ander is het aannemelijk dat deze kwekerij bijna twee jaar operationeel is geweest en dat er meerdere oogsten, gelet op de groeicyclus - minimaal éénmaal in de drie maanden oogsten -, zijn geweest."

3.4. Het Hof heeft de omtrent genoemde kosten gevoerde verweren in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"Tevens is door de raadsman gesteld dat bij de berekening van het voordeel geen rekening is gehouden met de kosten van inrichting van de kwekerijen, de aanschaf van zeecontainers en de huur van de desbetreffende locatie.

Het hof is van oordeel dat voormelde kosten niet voor aftrek in aanmerking komen. Dergelijke uitgaven voor duurzame activa vormen naar het oordeel van het hof geen kosten welke voor compensatie in de vorm van een aftrekpost in aanmerking dienen te komen, ook al omdat deze uitgaven aan huur en aanschaf van containers op meerdere andere wijzen, dan voor hennepkweek, dienstig kunnen zijn geweest en het tegendeel daarvan niet aannemelijk is geworden."

3.5. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Wanneer evenwel door of namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in geval van verwerping van dat verweer in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 124).

3.6. De Hoge Raad begrijpt de hiervoor onder 3.4 weergegeven overwegingen van het Hof aldus dat het als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de in de verweren genoemde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot de delicten. Voorts leest de Hoge Raad die overwegingen in die zin dat zij ook betrekking hebben op de opgevoerde kosten van de hypothecaire lening, nu het niet met zoveel woorden noemen van die kosten kennelijk bij vergissing achterwege is gebleven.

3.6.1. Voor wat betreft de kosten voor de hypothecaire lening alsmede die voor de zeecontainers geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het in het licht van hetgeen omtrent die kosten is aangevoerd, evenmin onbegrijpelijk is. In zoverre zijn de middelen tevergeefs voorgesteld.

3.6.2. Voor wat de inrichtingskosten betreft is dat oordeel, gelet op het gespecificeerde verweer, evenwel ontoereikend gemotiveerd. Nu dergelijke kosten op zichzelf in de vorm van afschrijvingskosten voor aftrek in aanmerking kunnen komen, had het Hof zijn oordeel dat van een zodanige aftrek in het onderhavige geval geen sprake kan zijn nader dienen te motiveren.

Ook 's Hofs oordeel dat de huurkosten van het pand [a-straat 1] "op meerdere andere wijzen dan voor hennepkweek dienstig kunnen zijn geweest en het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt" behoefde nadere motivering. Hetgeen door het Hof is vastgesteld omtrent de in dat pand gesitueerde hennepkwekerij (hiervoor onder 3.3 weergegeven) duidt er immers op dat in dat bedrijfspand (loods) vanaf de datum dat het door de betrokkene werd gehuurd tot de datum dat die kwekerij zou zijn "geript", een hennepkwekerij is geëxploiteerd, terwijl de stukken van het geding niets inhouden waaruit kan volgen dat dat pand (mede) een andere bestemming had. In zoverre treffen de middelen doel.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 november 2005.