Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU2053

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
11-10-2005
Zaaknummer
03442/04 M
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU2053
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AQ9886
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. ’s Hofs oordeel dat verdachte wordt verweten dat hij zich heeft onttrokken aan zijn taak als schildwacht door in slaap te vallen en dat hij dus niet als schildwacht in de zin van het Wetboek van Militair Strafrecht is opgetreden, is onjuist noch onbegrijpelijk. 2. ’s Hofs oordeel is juist dat art. 31.2 Wet militaire strafrechtspraak uitsluitend betrekking heeft op de militair die als schildwacht een taak uitoefent en niet op de militair die zich aan zijn taak als schildwacht onttrekt en dat de verdachte dus geen beroep op dit art. toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2005

Strafkamer

nr. 03442/04 M

AGJ/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Militaire Kamer, van 8 september 2004, nummer 21/001478-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Militaire Kamer van de Rechtbank te Arnhem van 1 maart 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde feit en hem voorts ter zake van "als militair aan zijn schuld te wijten zijn dat hij een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid of veiligheid niet vervult, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade te duchten is voor de veiligheid" veroordeeld tot twee maanden militaire detentie, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel is gericht tegen de verwerping van de op de terechtzitting gevoerde verweren en keert zich meer in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof dat art. 31, tweede lid, Wet militaire strafrechtspraak alleen ziet op actief handelen van een schildwacht.

3.2. Het Hof heeft overeenkomstig de inleidende dagvaarding ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat

"hij als militair op 15 augustus 2003 te of nabij As Samaha in Irak, op een observatiepost (wachtpost 5 op "Camp Smitty"), belast met het observeren van de bij die wachtpost 5 behorende sector, in ernstige mate nalatig een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid of veiligheid niet heeft vervuld, door daar en toen in ernstige mate nalatig op die post in slaap te vallen, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade te duchten is geweest voor de veiligheid, hierin bestaande dat het bij voornoemde wachtpost behorende (bewakings)gebied niet voortdurend geobserveerd kon worden."

3.3. De tenlastelegging is toegesneden op art. 108, eerste lid, Wetboek van Militair Strafrecht. Dit artikel, dat is opgenomen in de titel 'Misdrijven waardoor de militair zich aan de vervulling van dienstverplichtingen onttrekt', luidt als volgt:

"Met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de militair aan wiens schuld het is te wijten dat hij een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid of veiligheid niet vervult of niet in staat is te vervullen, indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de bestrijding van gemeen gevaar voor personen of goederen, de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht, dan wel de veiligheid."

3.4. Door de verdediging is op de terechtzitting onder meer aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van overmacht (art. 40 Sr) en dat hij heeft gehandeld naar aanleiding van een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel (art. 43 Sr). Daartoe is een beroep gedaan op art. 31, tweede lid, Wet militaire strafrechtspraak, dat als volgt luidt:

"De militair die zich beroept op een grond die overeenkomstig een van de artikelen 40-43 van het Wetboek van Strafrecht de strafbaarheid van een door hem als schildwacht gepleegd feit zou uitsluiten, wordt geacht rechtmatig te hebben gehandeld, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt."

3.5. De wetsgeschiedenis bij dit artikel houdt onder meer het volgende in:

"De voorgestelde bepaling in het tweede lid is ook gebaseerd op artikel 74 van de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht, namelijk op het bepaalde onder 2°. De omkering van de bewijslast is voor de schildwacht gehandhaafd. De ratio is een

oplossing te bieden voor de bijzondere positie van de schildwacht; men denke aan een ingrijpen door de schildwacht die alleen op post staat."

(Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1982-1983, 17804, nr. 5, p. 45)

3.6. Het hiervoor onder 3.5 aangeduide art. 74, aanhef en onder 2°, Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht is in de kern gelijkluidend aan het hiervoor weergegeven art. 31, tweede lid, Wet militaire strafrechtspraak.

3.7. Art. 69 Wetboek van Militair Strafrecht luidt als volgt:

"Onder schildwacht wordt verstaan iedere militair, die met een door Onze Minister van Defensie vast te stellen wapen uitgerust of van een door Onze Minister van Defensie vast te stellen kenteken voorzien, op post of uitkijk is gesteld."

3.8. Het bestreden arrest houdt in dit verband het volgende in:

"De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er sprake is van overmacht dan wel afwezigheid van alle schuld.

De raadsman heeft in dit verband een beroep gedaan op het bepaalde in het tweede lid van artikel 31 van de Wet militaire strafrechtspraak. Deze stelling miskent dat die bepaling ziet op het actief handelen van een schildwacht bij de uitoefening van zijn taak en juist niet op het zich onttrekken aan die taak. Het hof verwerpt de verweren. Het hof stelt daarbij voorop dat het onderkent dat verdachte onder moeilijke omstandigheden zijn wachtdienst heeft moeten verrichten, met name als gevolg van de hoge temperaturen ter plaatste, ook 's nachts, en de hoge frequentie waarin hij wachtdienst moest doen, waardoor van rusten en slapen niet veel terechtkwam. Aan de andere kant is verdachte een getrainde marinier die juist vanwege voornoemde omstandigheden maatregelen had moeten nemen om wakker te blijven. Door op de rand van het dak te gaan zitten tegen het einde van zijn wachttijd, heeft hij zich in een situatie gebracht waarin het gevecht tegen zijn vermoeidheid werd bemoeilijkt. Naar het oordeel van het hof is het dan ook niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van overmacht.

Nu verdachte naar het oordeel van het hof niet al het mogelijke heeft gedaan om te voorkomen dat hij in slaap zou vallen kan het beroep op afwezigheid van alle schuld evenmin slagen."

3.9. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat aan de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij zich heeft onttrokken aan zijn taak als schildwacht door in slaap te vallen op zijn wachtpost en dat hij dus niet als schildwacht in de zin van het Wetboek van Militair Strafrecht is opgetreden. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Voorts heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat art. 31, tweede lid, Wet militaire strafrechtspraak uitsluitend betrekking heeft op de militair die als schildwacht een taak uitoefent en niet op de militair die zich aan zijn taak als schildwacht onttrekt en dat de verdachte dus geen beroep op dit artikel toekomt. Dat oordeel is juist.

3.10. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 11 oktober 2005.