Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU0841

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
14-10-2005
Zaaknummer
41275
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU0841
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ8864
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelnemingsvrijstelling, opsplitsen belang bij een aandeel.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/7 met annotatie van R.J. DE VRIES
FED 2006/22 met annotatie van W.C.M. Martens
Belastingadvies 2005/22.8
V-N 2005/51.16 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1980 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.275

14 oktober 2005

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting A (rechtsopvolgster van X N.V.) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 augustus 2004, nr. P03/03004, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 53.260.000, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 7 juni 2005 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van de zaak voor feitelijk onderzoek.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. X N.V. (hierna: belanghebbende) maakte met ingang van 1996 als moedermaatschappij deel uit van een fiscale eenheid met onder andere E B.V. (hierna: E).

3.1.2. Op 29 december 1995 heeft E van de Vereniging B alle 5000 aandelen in G B.V. (hierna: G) gekocht tegen betaling van een bedrag van ƒ 5.000.000 met de verplichting om, als zij de aandelen binnen een bepaalde periode voor meer dan ƒ 5.000.000 zou verkopen, een deel van dat meerdere af te dragen aan de Vereniging B.

3.1.3. Op 11 juni 1999 heeft E de aandelen in G verkocht voor een bedrag van ƒ 350.000.000, vermeerderd met een rentevergoeding over dat bedrag over de periode van 1 januari 1999 tot aan de dag van de voldoening van de koopprijs. Vervolgens heeft E ingevolge voormelde verplichting in 1999 ƒ 70.110.000 betaald aan de rechtsopvolger van de Vereniging B, het K (hierna: K).

3.2. Voor het Hof was in geschil of het bedrag van ƒ 70.110.000 door belanghebbende ten laste van de winst kan worden gebracht. Het Hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is omdat belanghebbende niet tot dit gedeelte van de verkoopopbrengst gerechtigd was. Ook indien moet worden aangenomen dat belanghebbende civielrechtelijk wel volledig gerechtigd zou zijn geweest tot de verkoopopbrengst van de aandelen, is, aldus het Hof, economisch bezien slechts sprake geweest van een gerechtigdheid tot die opbrengst minus het aan K af te dragen gedeelte.

3.3. Voorzover het middel zich keert tegen het hiervoor onder 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende civielrechtelijk niet geheel gerechtigd was tot de verkoopopbrengst van de aandelen, slaagt het op de gronden vermeld in de onderdelen 4.3 en 4.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

3.4.1. Zoals ook blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2002, nr. 36272, BNB 2003/34, strookt het met de strekking van de deelnemingsvrijstelling om, indien het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel wordt opgesplitst, bij beide belanghebbenden bij dat aandeel de deelnemingsvrijstelling toe te passen, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt voor alle voor- en nadelen van dat aandeel.

3.4.2. Van het opsplitsen van het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel is onder andere sprake in een geval als het onderhavige, waarin de verkoper van een pakket aandelen dat een deelneming vormt, het recht heeft bedongen dat aan hem een gedeelte van het verkoopresultaat dat de koper behaalt toekomt, indien die koper voor een bepaalde datum tot wederverkoop van de betreffende aandelen overgaat. Alsdan brengt de deelnemingsvrijstelling met zich dat het uit hoofde van dat recht door de verkoper ontvangen bedrag, indien hij als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting kan worden aangemerkt, onder de deelnemingsvrijstelling valt. Bij de koper vindt de deelnemingsvrijstelling dan toepassing op het bedrag van het verkoopresultaat verminderd met het uit hoofde van de met evengenoemd recht corresponderende verplichting aan de verkoper doorbetaalde bedrag.

3.5. Gelet op het vorenoverwogene heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat het uit hoofde van de akte van aandelenoverdracht door belanghebbende betaalde bedrag niet ten laste van de winst kan worden gebracht.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.