Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AU0372

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
R05/076HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU0372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

23 september 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R05/076HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 504
NJ 2007, 230 met annotatie van J. Legemaate
RvdW 2005, 102
JWB 2005/330
BJ 2005/35 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 september 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/076HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later.

1. Het geding in feitelijke instantie

De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft op 21 februari 2005 onder overlegging van een op 10 februari 2005 ondertekende geneeskundige verklaring een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van het verblijf van [verweerster] - verder te noemen: de betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis.

Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door haar raadsvrouwe, en de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige op 10 maart 2005 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum het verzoek afgewezen.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding om het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in art. 15 lid 1 Wet Bopz. Bij de mondelinge behandeling is namens betrokkene onder meer het verweer gevoerd dat weliswaar sprake is van een alcoholverslaving maar dat een verslaving geen stoornis in de zin van de Wet Bopz is. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en overwoog daartoe:

"Uit de geneeskundige verklaring van de arts en de mondelinge toelichting van de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige voornoemd blijkt het volgende:

Bij betrokkene is sprake van een alcoholverslaving. Betrokkene is niet lijdende aan een stoornis van de geestvermogens.

Er is wel gevaar voor betrokkene zelf als gevolg van haar alcoholverslaving, maar nu er geen stoornis van de geestvermogens is wordt op grond van de BOPZ als volgt beslist."

3.2 Onderdeel 1 van het hiertegen gerichte middel houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat een (ernstige) alcoholverslaving wel degelijk een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz kan opleveren, althans dat het oordeel van de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van een stoornis van de geestvermogens, gelet op de geneeskundige verklaring en andere gedingstukken, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Onderdeel 2 voegt daaraan toe dat de rechtbank eveneens heeft miskend dat bij betrokkene ook los van de alcoholverslaving sprake is van een stoornis van de geestvermogens, nu uit de geneeskundige verklaring onmiskenbaar blijkt dat naast de alcoholverslaving tevens sprake is van (met name) overige (ongespecificeerde) stemmingsstoornissen.

3.3 Het middel stelt de vraag aan de orde of, en zo ja, onder welke voorwaarden een alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol kan worden beschouwd als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz.

3.3.1 Aan die vraag, voor de beantwoording waarvan de wetttekst geen aanknopingspunt biedt, zijn bij de parlementaire behandeling van de Wet Bopz beschouwingen gewijd. In de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken II 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 12-14) is het volgende opgemerkt:

"Onder geestvermogens moeten naar de bedoeling van het ontwerp worden verstaan de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen. Deze vermogens worden bepaald en beïnvloed door biologische, psychische en sociale factoren.

(...)

De tekst van het ontwerp ziet (...) alleen op die situaties waarin de stoornis van het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend is, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar als het ware niet kan worden toegerekend. De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen. Niet alle stoornissen in de geestvermogens zullen derhalve - ook niet als gevaar in de wettelijke zin bestaat - aanleiding mogen zijn tot een rechterlijke machtiging; niet het bestaan van de stoornis en van het gevaar zijn bepalend, doch het gevaar als gevolg van de stoornis. Het is duidelijk, dat door dit verband slechts ernstige stoornissen tot toepassing van het wetsontwerp aanleiding zullen kunnen geven."

(...)

"Van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van het ontwerp kan worden gesproken als de geestvermogens na een korte of langere periode van ontwikkeling tijdelijk of blijvend gestoord raken. Hier moge worden herhaald dat altijd biologische, psychische en sociale factoren - zij het in onderling wisselende mate - een rol bij het ontstaan en het voortduren van de stoornis kunnen spelen. Anders dan met name de leden van de P.S.P. en P.P.R. menen is het uitgangspunt van het ontwerp niet gelegen in het begrip ziekte, opgevat als in het individu gelegen stoornis, zoals hersenbeschadigingen, gezwellen of infecties. Het uitgangspunt is het begrip ziekelijke stoornis als een door een samenspel van genoemde drie factoren ontstane en voortbestaande, in een bepaalde periode geconstateerde, ernstige en als ziekelijk aan te merken stoornis. De stoornis behoeft niet het functioneren van de geestvermogens in ieder opzicht of op elk ogenblik te betreffen."

Voorts is met betrekking tot verslavingen in deze nadere memorie van antwoord vermeld (ibidem, blz. 14):

"Alhoewel verslavingen een sterke psychische lichamelijke afhankelijkheid van de gebruikte stof meebrengen, leidt niet elke verslaving tot een stoornis van de geestvermogens. Gedurende de periode waarin het gebruikte middel werkzaam is kan echter een zodanige aantasting van de fysiologische integriteit van de hersenen optreden, dat van een stoornis van de geestvermogens moet worden gesproken. Zo'n situatie doet zich voor bij gebruik van heroïne of andere hard drugs en bij ernstige vormen van alcoholmisbruik. Alsdan bestaat een ernstige belemmering van het denken, willen en doelgericht handelen.

Daarnaast kunnen ernstige en langdurige verslavingen een toestand doen ontstaan, waarin het voelen en doelgericht handelen met name ook buiten het terrein van de verslaving ernstig worden aangetast. Uit deze toestand zullen meeromvattende gedragsstoornissen voortvloeien, die niet beperkt blijven tot de periode waarin het middel werkzaam is."

3.3.2 Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat naar de bedoeling van de wetgever ingeval van ernstige alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol sprake kan zijn van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz, zodat de daarin voorziene maatregelen kunnen worden getroffen indien ook aan de overige daartoe gestelde vereisten is voldaan. Bij dit laatste is in het bijzonder van belang dat de stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 2 lid 2 Wet Bopz). Een individuele beoordeling aan de hand van de geneeskundige verklaring is steeds vereist (nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II 1980-1981, 11 270, nr. 17, blz. 25):

"De rechter zal voor elk individueel geval opnieuw hebben vast te stellen of reeds van een zodanige stoornis sprake is dat de betrokkene in overwegende mate onder invloed van die stoornis tot zijn gevaarvolle handelen komt.

(...)

Dat de ter beschikking staande mogelijkheden tot intramurale hulpverlening door het ontwerp als het ware bij voorrang zouden worden toebedeeld aan de groep ernstig verslaafde patiënten, is dan ook niet juist. Op een zelfde wijze als voor andere categorieën patiënten en aan de hand van dezelfde criteria wordt slechts de mogelijkheid van een dwangopneming (en van daarmede gepaard gaande intramurale hulpverlening) geopend voor ernstig verslaafden. De totstandkoming van een rechterlijke machtiging is ook voor hen individueel bepaald."

3.3.3 Ook thans huldigt de regering het standpunt dat in bepaalde gevallen ernstige verslaving kan worden aangemerkt als een geestesstoornis in de zin van de Wet Bopz en dat, wanneer tevens sprake is van gevaar veroorzaakt door die geestesstoornis de Wet Bopz toepassing kan vinden (antwoord van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de evaluatie van de Wet Bopz, Kamerstukken II 2004-2005 25 763 en 28 950, nr. 5, blz. 4).

3.3.4 Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 2.3 en 2.4 vermelde gegevens blijkt dat in de psychiatrie de opvatting wordt verdedigd dat verslaving een chronische psychiatrische ziekte is, terwijl tevens erop wordt gewezen dat bij verslaafden dikwijls sprake is van naast de verslaving bestaande of daardoor veroorzaakte andere psychische stoornissen. Deze inzichten rechtvaar-digen echter op zichzelf niet een ruimere toepassing van de in de Wet Bopz voorziene maatregelen dan de wetgever blijkens het vorenstaande voor ogen stond en de regering ook thans voor ogen staat. Daarbij is in aanmerking te nemen dat mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming vereist is dat - behoudens in noodsituaties - telkens door een persoonlijk voorafgaand onderzoek door een specialist wordt vastgesteld dat de stoornis en het daardoor veroorzaakte gevaar van zodanige aard en ernst zijn dat vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is. In gevallen van alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol en andere middelen waarvan het gebruik tot verslaving kan leiden, dient bij het vorenstaande nog in aanmerking te worden genomen dat het hier veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn. Daaraan doet niet af dat in de praktijk ook kan worden volstaan met een kortdurende vrijheidsbeneming teneinde aan een crisissituatie het hoofd te bieden.

3.3.5 Tegen de achtergrond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Aangezien, zoals hiervoor vermeld, telkens per individueel geval op basis van een objectief medisch onderzoek moet worden beoordeeld of vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is, kan niet in het algemeen worden gezegd dat de aanwezigheid van het syndroom van Korsakov is vereist voor het oordeel dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens, noch dat die diagnose op zichzelf daartoe voldoende is.

3.4.1 Indien het bestreden oordeel van de rechtbank aldus moet worden gelezen dat een alcoholverslaving nimmer een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz kan opleveren, geeft dat oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4.2 Indien het oordeel van de rechtbank in die zin moet worden verstaan dat een (ernstige) alcoholverslaving wel een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz kan opleveren, maar dat in het onderhavige geval geen sprake is van daarmee gepaard gaande (andere) psychische stoornissen als hiervóór in 3.3.5 bedoeld, behoefde dat oordeel in het licht van de gedingstukken nadere motivering, die in de bestreden beschikking evenwel ontbreekt. In de overgelegde geneeskundige verklaring staat in rubriek 3 dat een stoornis van de geestvermogens aanwezig wordt geacht, terwijl in rubriek 3.c als diagnose is vermeld: "Alcoholgeïndiceerde geheugenstoornis; depressieve episoden; posttraumatische stress stoornis", welke verschijnselen in diezelfde rubriek als volgt zijn geclassificeerd: "(3) psycho-organische storingen door gebruik van middelen (incl. intoxicatie), (4) overige (incl. ongespecificeerde) organische hersensyndromen, (5) stoornissen door gebruik van middelen, (13) overige (incl. ongespecificeerde) stemmingsstoornissen", waarbij het laatste punt als de belangrijkste diagnose wordt aangemerkt. In rubriek 4.d (gevaar) is nog toegevoegd: "Patiënte haar stoornis is zo ernstig dat er langere tijd (1-2 jaar) nodig is om zelfs een begin van herstel mogelijk te maken". Voorts heeft de ter zitting gehoorde sociaal psychiatrisch verpleegkundige onder meer verklaard dat bij betrokkene sprake is "van een aan alcohol gerelateerd verlies van autonomie". In het licht van dit een en ander behoefde het van het oordeel van de geneeskundige en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige afwijkende oordeel van de rechtbank nadere motivering.

3.4.3 Onderdeel 1 van het middel is derhalve gegrond. Onderdeel 2 behoeft na het voorgaande geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 10 maart 2005;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 23 september 2005.