Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT8969

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2005
Datum publicatie
09-09-2005
Zaaknummer
C04/052HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT8969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

9 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/052HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaten: mrs. E. Grabandt en J.P. Heering, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 466
NJ 2006, 470
RAR 2005, 111
PJ 2005/102 met annotatie van E. Lutjens
JWB 2005/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 september 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/052HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaten: mrs. E. Grabandt en J.P. Heering,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 21 juni 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de kosten, [verweerster] te veroordelen om:

I. binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis een bedrag van ƒ 339.983,-- te betalen aan de naamloze vennootschap Generali Levensverzekeringsmaatschappij N.V. te Diemen ten behoeve van de tijdsevenredige affinanciering van de pensioenaanspraken van [eiser] jegens [verweerster];

II. binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 9.400,-- ten titel van vergoeding van vermogensschade en ƒ 14.356,79 ten titel van buitengerechtelijke incassokosten.

[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat [verweerster] niet gebonden is aan de pensioenbrief van 11 juni 1990.

[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.

Bij akte in conventie en conclusie van dupliek in reconventie heeft [eiser] zijn eis vermeerderd met een bedrag van ƒ 12.590,-- aan accountantsonderzoekskosten.

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 oktober 2001 in conventie [verweerster] veroordeeld tot betaling aan Generali voornoemd van ƒ 339.983,-- ten behoeve van een tijdsevenredige affinanciering van het premievrije pensioen van [eiser], alsmede tot betaling aan [eiser] van ƒ 5.400,-- als buitengerechtelijke incassokosten en [verweerster] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser], dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders in conventie en het in reconventie gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 21 oktober 2003 heeft het hof voormeld vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vordering van [eiser] afgewezen en in reconventie de vordering van [verweerster] alsnog toegewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. A.J. Swelheim, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In een overeenkomst van 20 juli 1973, gesloten tussen [betrokkene 1] en [eiser], die beiden aandeelhouder en directeur van [A] B.V. waren, is verklaard dat door [B] N.V. aan [eiser] pensioenrechten zijn toegekend, welke waren verzekerd bij N.V. Levensverzekering Maatschappij De Nederlanden van 1870 (hierna: De Nederlanden van 1870) onder polisnummer [001], en dat de pensioenrechten zijn voortgezet door [A] B.V. Daartoe is aan [eiser] een nieuwe pensioentoezegging gedaan welke volgens die overeenkomst is vastgelegd in een nieuwe polis onder nummer [002] bij De Nederlanden van 1870, in welke polis de waarde van polis [001] is geconverteerd.

(ii) Bij overeenkomst van 20 juli 1973 heeft [eiser] als verzekeringnemer en verzekerde met De Nederlanden van 1870 per 1 januari 1973 een pensioenverzekering afgesloten onder polisnummer [002], welke verzekering nadien enige malen is verhoogd. Volgens de aanhef van de verzekeringsovereenkomst betreft het een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 2 lid 4 onder C van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) (een zogenaamde C-polis). Op het vervolgblad van deze verzekeringsovereenkomst staat (onder 4) dat in deze verzekering is geconverteerd de verzekering onder polisnummer [001]. In een aanhangsel bij de verzekeringsovereenkomst is bepaald dat de verzekering recht geeft op winstdeling.

(iii) Bij brief van 5 januari 1977 heeft [C] B.V. aan [eiser] bericht, dat zij bij die brief de reeds lang bestaande afspraken op pensioengebied nog eens kort samenvat. In de brief staat (onder meer) dat [eiser] recht heeft op een ouderdomspensioen op basis van zijn laatstgenoten vaste salaris. In die brief is voorts vermeld:

"In verband met bovenstaande toezeggingen hebben wij u in staat gesteld en zullen wij u verder in staat stellen verzekeringen aan te houden bij De Nederlanden van 1870 (...). Per 1-1-1977 lopen aldus te uwen behoeve de polissen [002] (...)."

(iv) In artikel 5 lid 1 van de op 11 juni 1990 tussen [verweerster] als werkgever en [eiser] als werknemer gesloten arbeidsovereenkomst staat - voor zover van belang - dat [eiser] recht heeft op een ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van de aan deze overeenkomst gehechte pensioenbrief. In artikel 5 lid 1, tweede zin, van genoemde arbeidsovereenkomst wordt er melding van gemaakt dat de pensioenen zijn ondergebracht bij De Nederlanden van 1870. Bij pensioenbrief van 11 juni 1990 heeft [verweerster] aan [eiser] een pensioen toegezegd op basis van een eindloon (artikel 4). In artikel 10 lid 2 van de laatstgenoemde pensioenbrief staat, dat de pensioenen zullen worden voldaan door [verweerster], tenzij deze bij een verzekeringsmaatschappij zijn ondergebracht, in welk geval de uitkeringen rechtstreeks door de verzekeraar aan de pensioengerechtigde worden gedaan.

(v) Op 10 november 1994 heeft [eiser] (samen met anderen) de aandelen van [verweerster] verkocht en nadien geleverd aan Ballast Nedam Bouw B.V. [Eiser] is directeur van [verweerster] gebleven. Op 29 april 1999 hebben [eiser], [verweerster] en Ballast Nedam een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] met [verweerster] per 1 mei 1999 werd ontbonden.

(vi) Generali Levensverzekering Maatschappij N.V. heeft, als rechtsopvolgster (kennelijk onder algemene titel) van De Nederlanden van 1870, bij brief van 16 november 1999 aan de accountants van [eiser] bericht dat per 1 mei 1999 de pensioenverzekeringen van [eiser] onder polisnummer [002] een premievrije waarde (exclusief winstbijschrijving) hebben van ƒ 1.613.381,--, dat de premievrije waarde van een tijdsevenredig pensioen ƒ 2.027.683,-- bedraagt en dat voor de financiering van het verschil tussen de gefinancierde en de benodigde tijdsevenredige premievrije waarde een storting nodig is van ƒ 339.983,--.

(vii) Generali heeft bij brief aan de raadsman van [eiser] van 30 oktober 2000 vermeld dat de premievrije waarde van de onder 4.5 genoemde polis inclusief winstbijschrijving van de desbetreffende verzekering per 1 mei 1999 ƒ 2.557.586,-- bedraagt.

3.2 Het gaat in dit geding, kort gezegd, om het volgende.

[Eiser] heeft in conventie (in hoofdsom) gevorderd dat [verweerster] zal worden veroordeeld een bedrag van ƒ 339.983,-- te betalen aan Generali Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: de verzekeraar) ten behoeve van de tijdsevenredige affinanciering van de pensioenaanspraken van [eiser] na (tussentijdse) beëindiging van de dienstbetrekking tussen [eiser] en [verweerster]. Aan zijn vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de weigering van [verweerster] de door [eiser] gevorderde additionele koopsom van ƒ 339.983,-- te betalen een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de pensioentoezegging jegens hem oplevert, nu dat bedrag nodig is voor de affinanciering van de premievrije aanspraak op tijdsevenredig ouderdomspensioen uit hoofde van de pensioenbrief van 11 juni 1990.

[Verweerster] heeft de vorderingen van [eiser] bestreden. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de door de verzekeraar bij te schrijven winstdeling meegerekend moet worden bij de vaststelling van de hoogte van de premievrije waarde van de pensioenverzekering ten tijde van de beëindiging van de dienstbetrekking, zodat op haar geen verplichting tot affinanciering rust: de gefinancierde premievrije waarde bedraagt in die berekening per datum beëindiging ƒ 2.557.586,--, waardoor er een overschot is van ruim ƒ 500.000,-- aangezien de premievrije waarde van het tijdsevenredige pensioen waarop [eiser] recht heeft ƒ 2.027.683,-- bedraagt.

In reconventie heeft [verweerster] een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerster] niet is gebonden aan de pensioenbrief van 11 juni 1990.

De rechtbank heeft de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

3.3.1 In de bestreden uitspraak heeft het hof de vorderingen van [eiser] afgewezen en de vordering van [verweerster] in reconventie toegewezen, in die zin dat voor recht is verklaard dat [verweerster] niet is gehouden ten behoeve van [eiser] aan de verzekeraar een bedrag te voldoen ten behoeve van de tijdsevenredige affinanciering van de pensioenaanspraken van [eiser] jegens [verweerster].

3.3.2 De overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten.

In geschil is of de door de verzekeraar uit te keren winstuitkering wèl ([verweerster]) of niet ([eiser]) meegeteld moet worden bij de vaststelling van het evenredige deel van de premievrije waarde van het ouderdomspensioen op de datum van beëindiging van de dienstbetrekking, waarop [eiser] recht heeft (rov. 4.9). In de rechtsverhouding tussen [eiser] als werknemer en [verweerster] als werkgeefster, zoals die blijkt uit de arbeidsovereenkomst en de pensioenbrief, is omtrent de strekking van de winstdeling uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst niets overeengekomen (rov. 4.10). [Verweerster] is geen partij bij de verzekeringsovereenkomst en zij heeft ook niet uit hoofde van een derdenbeding een zelfstandig vorderingsrecht jegens [eiser] of de verzekeraar. Indien [verweerster] redelijkerwijs erop mocht vertrouwen dat de verzekeraar en [eiser] zijn overeengekomen dat de winstdeling en de premies tezamen de premievrije waarde van het pensioen vormen, en zij op grond van dat vertrouwen heeft gehandeld, geldt jegens [verweerster] dat de winstdeling gevoegd moet worden bij de premie en dat het totaal daarvan de waarde van de pensioenrechten per datum beëindiging van het dienstverband vormt (art. 3:36 BW) (rov. 4.11).

Uit de bewoordingen van een passage in een bijlage bij de verzekeringsovereenkomst van 27 april 1973, inhoudende dat de pensioenen worden verzekerd door kapitaal met winstdeling, waarbij het kapitaal en de winstbijschrijvingen zullen dienen als koopsom, volgt onmiskenbaar dat de winstdeling tezamen met de premie dient ter opbouw van de koopsom ten behoeve van het pensioen. Dat het [verweerster] duidelijk had moeten zijn dat [eiser] en de verzekeraar met deze passage iets anders hebben bedoeld, is door [eiser] niet met feiten en omstandigheden omkleed gesteld en evenmin is gesteld wat partijen op dit punt redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Passages in een aanhangsel bij de polis en in winstbrieven, die erop neerkomen dat de winst ten goede komt aan de verzekering, doen geen afbreuk aan de uitleg van de verzekeringsovereenkomst, zoals die door [verweerster] redelijkerwijs mocht worden opgevat, te weten: dat de winst niet primair ten goede komt aan [eiser] persoonlijk, maar aan de verzekerde som (rov. 4.12). De stellingen van [eiser] dat die uitleg van [verweerster] niet voor de hand ligt en dat deze in strijd is met tekst of strekking van de PSW en het in de pensioentoezegging opgenomen streven naar waardevastheid moeten worden verworpen (rov. 4.13). [eiser] heeft gesteld dat de verzekeraar de winstdeling buiten het verzekerde kapitaal heeft gehouden. Voorop staat dat de uitleg van de verzekeraar in het onderhavige geval niet maatgevend is voor het gerechtvaardigd vertrouwen van [verweerster] omtrent hetgeen [eiser] en de verzekeraar zijn overeengekomen. De door de verzekeraar in verband met pensioenverhoging in 1986 en 1987 opgestelde berekeningen zijn overigens niet onverenigbaar met de door [verweerster] voorgestane uitleg (rov. 4.14). Aan de stelling van [eiser] dat bij andere werknemers de winstrechten ten goede zijn gekomen aan de werknemers gaat het hof voorbij: [eiser] heeft niets gesteld omtrent de inhoud van de verzekeringsovereenkomsten van die werknemers (rov. 4.15).

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen dat [verweerster] gerechtvaardigd erop heeft vertrouwd en mocht vertrouwen, dat [eiser] met de verzekeraar is overeengekomen dat niet alleen de premie, maar ook de winstbijdrage uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst zal worden gebruikt ten behoeve van de financiering van een aanspraak op pensioen. [Verweerster] heeft op basis van haar vertrouwen op de inhoud van de tussen [eiser] en de verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst ook gehandeld door pensioentoezeggingen jegens [eiser] te doen zoals zij heeft gedaan en daarbij de uitvoering aan [eiser] over te laten door hem de bestaande verzekeringsovereenkomst te doen voortzetten (rov. 4.16).

3.4 Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 4.11 - 4.16.

3.5.1 Het onderdeel behelst vooreerst de klacht dat het hof bij de uitleg van de verzekeringsovereenkomst heeft miskend dat het hier, gelet op de Haviltex-maatstaf, aankomt op hetgeen de bij de overeenkomst betrokken partijen met de verzekering hebben beoogd, waarbij (mede) de aard en strekking van de onderhavige verzekeringsovereenkomst in aanmerking moet worden genomen. Voorts klaagt het onderdeel dat de door het hof gegeven uitleg van de verzekeringsovereenkomst in het licht van de aard en strekking daarvan en gelet op de Haviltex-maatstaf onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu deze uitleg haaks staat op de interpretatie die [eiser] en de verzekeraar daaraan zelf hebben gegeven, terwijl het hof niet duidelijk heeft gemaakt waarop - niettegenstaande deze partijopvattingen - het vertrouwen van [verweerster] (waarvan [eiser] zelf destijds directeur was) is gebaseerd.

3.5.2 De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.

Voor zover de klachten erop berusten dat het hof zijn oordeel heeft gegrond op de uitleg van de verzekeringsovereenkomst zoals deze tussen [eiser] en de verzekeraar geldt, gaan zij uit van een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof. Voor zover aan de klachten de opvatting ten grondslag ligt dat het hof zijn oordeel had behoren te gronden op de uitleg die [eiser] en de verzekeraar aan de verzekeringsovereenkomst hebben gegeven, is die opvatting onjuist. Het hof heeft immers op de voet van art. 3:36 BW - terecht - beslissend geacht de uitleg van de verzekeringsovereenkomst zoals deze door [verweerster] redelijkerwijs mocht worden opgevat, waarbij het dus aankomt - niet op hetgeen dienaangaande geldt tussen [eiser] en de verzekeraar, maar - op de zin die [verweerster] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aan de verzekeringsovereenkomst mocht toekennen.

Het oordeel van het hof dat [verweerster] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze erop heeft mogen vertrouwen dat de winstbijschrijving aan de verzekerde som ten goede zou komen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen de in 's hofs overwegingen neergelegde gedachtegang, die als volgt kan worden weergegeven. Uit de in rov. 4.12 van zijn arrest weergegeven passage in de bijlage bij de verzekeringsovereenkomst volgt onmiskenbaar dat de winstdeling tezamen met de premie dient ter opbouw van de koopsom ten behoeve van het pensioen. [verweerster], die, zoals het hof kennelijk heeft aangenomen, van die passage kennis droeg, heeft daarop afgaande redelijkerwijze erop mogen vertrouwen dat de winstbijschrijving aan de verzekerde som ten goede zou komen. [Eiser] heeft niet met feiten en omstandigheden omkleed gesteld dat het [verweerster] reeds uit hoofde van de persoon van [eiser] als haar toenmalige directeur duidelijk had moeten zijn dat [eiser] en de verzekeraar met deze passage iets anders hebben bedoeld, en ook overigens heeft [eiser] geen omstandigheden gesteld die aan de uitleg van de verzekeringsovereenkomst zoals die door [verweerster] redelijkerwijs mocht worden opgevat afbreuk doen.

3.6.1 Ten slotte klaagt het onderdeel dat in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is het oordeel van het hof (in rov. 4.16) dat [verweerster] op basis van haar vertrouwen op de inhoud van de tussen [eiser] en de verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst ook heeft gehandeld door de pensioentoezeggingen jegens [eiser] te doen en daarbij de uitvoering aan [eiser] over te laten door hem de bestaande verzekeringsovereenkomst te laten voortzetten. Daartoe wordt aangevoerd dat [verweerster] slechts één pensioentoezegging heeft gedaan en wel op 11 juni 1990, dat die toezegging losstaat van de door [eiser] in 1973 gesloten verzekeringsovereenkomst en dat uit die pensioenbrief van 11 juni 1990 niet valt af te leiden dat [verweerster] bij haar toezegging is afgegaan op de betekenis die zij later aan de bijlage bij de verzekeringsovereenkomst heeft toegekend, zodat er bij die pensioentoezegging geen sprake is van voor bescherming vereist voortbouwend handelen van [verweerster]. Daaraan verbindt de klacht de conclusie dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang dat aan de vereisten van art. 3:36 BW is voldaan.

3.6.2 Voor zover de klacht inhoudt dat het hof heeft miskend dat slechts één pensioentoezegging is gedaan, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft immers, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat zodanige pensioentoezegging ook door (de rechtsvoorgangster van) [verweerster] is gedaan bij overeenkomst van 20 juli 1973 en is bevestigd bij brief van 5 januari 1977 (zie de in 3.1 onder (i) - (iii) weergegeven feiten).

3.6.3 Ook voor het overige kan de klacht niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof dat [verweerster] op basis van haar vertrouwen op de inhoud van de tussen [eiser] en de verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst heeft gehandeld, is niet onbegrijpelijk, gelet op de in 3.5.2 weergegeven gedachtegang van het hof. Hieraan doet naar 's hofs kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel niet af dat uit de tekst van de pensioenbrief van 11 juni 1990 niet valt af te leiden dat [verweerster] bij haar pensioentoezegging is afgegaan op de betekenis die zij aan de verzekeringsovereenkomst heeft toegekend.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 4.701,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.