Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT8823

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2005
Datum publicatie
21-10-2005
Zaaknummer
C04/142HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT8823
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AP2069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Burengeschil over hinder van een met bouwvergunning geplaatste uitbouw achter woonhuis door onthouding van licht en uitzicht, bevel tot gedeeltelijke afbraak uitbouw en terugplaatsing gemeenschappelijke muur; onrechtmatige hinder, maatstaf, in hoeverre staat de omstandigheid dat de uitbouw is geschied in overeenstemming met een bouwvergunning die formele rechtskracht heeft verkregen, in de weg aan het oordeel dat de vermindering van lichtinval en uitzicht als onrechtmatige hinder moet worden aangemerkt?, wettelijke regeling van het bestemmingsplan strekt niet tot voorkoming van onrechtmatige hinder, onderzoek rechter van bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan die naar maatschappelijke opvattingen zijn toegestaan, motiveringseisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 599
NJ 2006, 418 met annotatie van C.J.H. Brunner
RvdW 2005, 118
BR 2006/60 met annotatie van M.A.B. van Chao-Duivis
NTBR 2006, 15 met annotatie van G.E. van Maanen
M en R 2006, 15 met annotatie van J.H. Meijer
Gst. 2005, 198 met annotatie van J.A.E. van der Does
JWB 2005/360
JB 2005/318 met annotatie van GEvM
JOR 2006/116 met annotatie van J.F. de Groot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 oktober 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/142HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: eerst mr. J.H.M. van Swaaij,

thans mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

1. [Verweerder 1] en

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploot van 8 maart 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair [eiser] te veroordelen om binnen 30 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, de serre af te breken en afgebroken te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 25.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;

II. [eiser] te bevelen de door hem verwijderde gemeenschappelijke muur terug te plaatsen en de reeds uitgevoerde bouwwerkzaamheden ongedaan te maken, zulks binnen 30 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 25.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;

III. subsidiair zodanige maatregelen te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

IV. zowel primair als subsidiair met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 november 2001 een comparitie van partijen en een gerechtelijke plaatsopneming gelast.

Na verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer van de rechtbank heeft die kamer op 11 april 2002 een descente gehouden en bij eindvonnis van 28 mei 2002 [eiser] veroordeeld binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de uitbouw terug te brengen tot de afmetingen genoemd in rov. 5.8 van dit vonnis en de gemeenschappelijke muur terug te plaatsen voor zover dat nodig is op grond van hetgeen is overwogen in rov. 5.10 van dit vonnis, telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag, een en ander tot een maximum van € 20.000,--, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Verweerder] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld, doch het incidenteel hoger beroep speelt in cassatie geen rol.

Bij arrest van 29 januari 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep behoudens de daarbij opgelegde dwangsom bekrachtigd en omtrent de dwangsom een nieuwe beslissing gegeven.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] c.s. mede door mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 mei 2005 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1-6 van de conclusie van de Procureur-Generaal en naar het hiervoor in 1 overwogene.

Kort samengevat gaat het om het volgende. Partijen zijn buren. [Verweerder] c.s. wonen aan de [a-straat 1] en [eiser] aan de [a-straat 2] te [woonplaats]. [Eiser] heeft achter zijn huis een uitbouw geplaatst, nadat hij daartoe op 6 augustus 1999 van de gemeente Heemstede een bouwvergunning had verkregen. De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat [eiser] door het hebben van deze uitbouw zodanige hinder aan [verweerder] c.s. toebrengt door onthouding van licht en uitzicht, dat deze ingevolge art. 6:162 BW onrechtmatig is. De rechtbank heeft op grond hiervan aan [eiser] een bevel tot gedeeltelijke afbraak van de uitbouw en, voorzover in verband daarmee nodig, terugplaatsing van de gemeenschappelijke muur opgelegd. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, behoudens ten aanzien van de aan het bevel verbonden dwangsom, die door het hof is verhoogd.

3.2 Het hof heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven, dat door aard, duur en ernst van de hinder en de daardoor aan [verweerder] c.s. toegebrachte schade de uitbouw onrechtmatig moet worden geoordeeld en heeft de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde gronden tot de zijne gemaakt.

De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen (rov. 5.2 van het eindvonnis) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van onrechtmatige hinder, afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Aldus oordelend heeft de rechtbank - en dus ook het hof - een juiste maatstaf aangelegd.

De rechtbank was van oordeel (rov. 5.3) dat de uitbouw door de onthouding van licht en uitzicht, gelet op de aard, de ernst en de duur daarvan, [verweerder] c.s. een aanzienlijke stoornis in het genot van hun eigendom oplevert. Zij heeft dit oordeel gebaseerd op de omvang van de uitbouw, het feit dat deze maakt dat op het erf van [verweerder] c.s. minder licht binnentreedt dan voorheen en dat het uitzicht van [verweerder] c.s. op de lucht en de verder weg gelegen bebouwing, zowel vanuit de woonkamer van hun woning als vanaf het terras, wordt belemmerd. Hier komt nog bij, aldus de rechtbank, dat reeds een soortgelijke uitbouw aanwezig was aan de andere zijde van het erf van [verweerder] c.s., waardoor een 'kokereffect' ontstaat dat het effect van dit verlies van lichtinval en uitzicht in hoge mate versterkt. De rechtbank verwierp het beroep van [eiser] op art. 5:49 BW op de grond dat de zijmuur van de uitbouw aanzienlijk hoger is dan de hoogte die een scheidsmuur volgens het genoemde artikel mag hebben, en dat deze juist het boven de erfafscheiding nog resteerde vrije deel van het uitzicht - dat zojuist genoemd kokereffect voorkwam - heeft weggenomen. Ook het verweer dat tegen de voormalige schutting aan de zijde van [verweerder] c.s. groenblijvers van meer dan twee meter lengte stonden - hetgeen overigens, signaleert de rechtbank, door [verweerder] c.s. werd betwist - waardoor de lichtinval al beperkt zou zijn, gaat volgens de rechtbank niet op, nu een hoge blinde muur over een lengte van vier meter in een strakke horizontale lijn en direct vanuit de achterzijde van de woning iets wezenlijk anders is dan een aanzienlijk lagere schutting met enkele groenblijvers ervoor. Waar de uitbouw niet voor slechts een korte periode is opgericht, betekent dit een permanent verlies aan licht en uitzicht voor [verweerder] c.s.

3.3.1 Het hof, deze overwegingen van de rechtbank tot de zijne makend, heeft - zoals reeds is vermeld - de juiste maatstaf gehanteerd en heeft, daarvan uitgaande, zijn beslissing gebaseerd op afwegingen en waarderingen welke zijn voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan die beslissing dan ook niet verder op juistheid worden getoetst. Zij is voorts genoegzaam gemotiveerd en is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Anders dan in onderdeel 1.1 wordt betoogd, was het hof niet gehouden om de mate waarin de uitbouw voor [verweerder] c.s. tot een vermindering van lichtinval en van uitzicht leidt, nauwkeuriger te kwantificeren. Onderdeel 1.1 faalt derhalve.

3.3.2 Onderdeel 1.2 behoeft geen behandeling, nu het slechts is aangevoerd voor het geval dat moet worden uitgegaan van een andere lezing van 's hofs arrest dan blijkens het hiervoor in 3.2 overwogene juist is.

3.3.3 Het hiervóór overwogene brengt mee dat ook onderdeel 2.1, dat voortbouwt op onderdeel 1 en geen zelfstandige betekenis heeft, niet kan slagen.

3.4 Het hof heeft voorts geoordeeld dat het feit dat [eiser] een bouwvergunning voor deze uitbouw heeft verkregen van de gemeente Heemstede, waartegen [verweerder] c.s. niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, en de uitbouw in overeenstemming is met diverse publiekrechtelijke normen zoals gesteld in de memorie van grieven (waarmee het hof kennelijk doelt op het Bouwbesluit, op de bouwverordening van de gemeente Heemstede, en op de WRO), niet afdoet aan het hiervóór in 3.2 weergegeven oordeel van het hof. Deze bouwvergunning geeft, aldus het hof, [eiser] immers niet het recht aan zijn buren onrechtmatige hinder toe te brengen.

Hiertegen keren zich de onderdelen 2.2-2.4.

3.5.1 Bij de beoordeling van deze onderdelen moet het volgende worden vooropgesteld.

Het antwoord op de vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de hem verstrekte vergunning handelt, doch daarbij schade of hinder toebrengt aan derden, hangt af van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, zulks in verband met de omstandigheden van het geval (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278). Daarbij heeft te gelden dat de vergunninghouder er in het algemeen op mag vertrouwen dat de vergunning overeenkomstig de wet is verleend en de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen door de vergunningverlenende instantie volledig en op juiste wijze zijn afgewogen, en dat hij gerechtigd is van die vergunning gebruik te maken (vgl. HR 28 februari 1975, nrs. 10810 en 10811, NJ 1975, 423, en HR 17 januari 1997, nr. 16124, NJ 1998, 656).

3.5.2 In het onderhavige geval gaat het om de vraag, in hoeverre de omstandigheid dat de uitbouw is geschied in overeenstemming met een bouwvergunning die formele rechtskracht heeft verkregen, in de weg staat aan het oordeel dat de vermindering van lichtinval en uitzicht die de uitbouw voor [verweerder] c.s. veroorzaakt, als onrechtmatige hinder moet worden aangemerkt. [Eiser] wijst in dit verband erop dat de formele rechtskracht van de bouwvergunning, gezien art. 44 lid 1, onder c, (oud, doch in dit opzicht niet materieel verschillend van de thans geldende tekst) Woningwet, meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de uitbouw is gebleven binnen de door het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden.

Te dien aanzien heeft het volgende te gelden. Daarbij verdient aantekening dat, nu de betrokken bouwvergunning in 1999 is verleend, het in deze zaak gaat om de toen geldende bepalingen van de betrokken wetten.

3.5.3 De Woningwet bevat geen bepaling die zich rechtstreeks keert tegen het zodanig bouwen dat daardoor aan een ander onrechtmatige hinder wordt toegebracht. Evenmin vereist de Woningwet dat regels ter voorkoming van zodanige hinder worden opgenomen in het Bouwbesluit (zie art. 2), de bouwverordening (zie art. 8), of in enige andere uitvoeringsregeling.

Art. 44, aanhef en onder c, (oud) bepaalt dat "[d]e bouwvergunning [...] alleen [mag] worden geweigerd, indien c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen".

Ook de Wet op de Ruimtelijke Ordening bevat geen bepaling die zich rechtstreeks keert tegen het zodanig bouwen dat daardoor aan een ander onrechtmatige hinder wordt toegebracht. Het belang dat dient te worden nagestreefd met een bestemmingsplan, is het belang van een goede ruimtelijke ordening; zie art. 10 WRO. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan en de daarin opgenomen bebouwingsregeling (bouwvoorschriften) dient de gemeenteraad (onder goedkeuring van gedeputeerde staten) mede een afweging te maken van de onderlinge belangen van de burgers. In dit kader kunnen door de betrokken bestuursorganen ook beslissingen worden genomen over wat naar hun oordeel de ene burger van de andere aan hinder veroorzakende bouw moet aanvaarden, en deze beslissingen kunnen ook in zekere mate via een beroep tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten ter toetsing aan de bestuursrechter worden voorgelegd. De wet verplicht echter niet tot een zodanige opzet van het bestemmingsplan dat in ieder individueel geval de ene burger de andere geen onrechtmatige hinder kan toebrengen door van de erdoor geboden bouwmogelijkheden gebruik te maken, nog daargelaten dat hinder ook het gevolg kan zijn van oorzaken die buiten het bereik van de planwetgever liggen. Ook de ontstaansgeschiedenis van de WRO biedt voor het aannemen van een zodanige verplichting geen steun.

Voor de bestaande regeling pleit ook dat een andere regeling niet zonder ernstige bezwaren zou zijn. Een regeling die wel een verplichting als in de vorige alinea bedoeld zou inhouden, zou bijzonder zware lasten op alle betrokken partijen leggen. Daarbij rijst bovendien de vraag of in redelijkheid van de burger kan worden verlangd - op straffe van verlies van zijn recht om in rechte voor zijn belang op te komen - dat hij de constante oplettendheid en grote activiteit opbrengt die nodig zijn om zeker te stellen dat er geen bestemmingsplan komt met bouwmogelijkheden die bij verwezenlijking onrechtmatige hinder voor hem zouden veroorzaken, zulks in het bijzonder ook wanneer het gaat om situaties waarin die verwezenlijking allerminst met zekerheid is te voorzien. Ook voor de betrokken bestuursorganen zou een regeling van het bestemmingsplan in die zin een ernstige verzwaring van hun taak meebrengen, waarvan het nut betwijfeld kan worden.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het belang van het voorkomen van onrechtmatige hinder door het gebruik maken van door een bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden niet een belang is dat door de wettelijke regeling van het bestemmingsplan wordt nagestreefd zoals hiervóór in 3.5.1 bedoeld.

3.5.4 Het in 3.5.3 overwogene is, zoals vermeld, gegrond op de wetgeving zoals deze in 1999 van kracht was. Er is echter geen grond om voor de Woningwet en de WRO in de huidige vorm tot een ander oordeel te komen, ook al is in het bijzonder de Woningwet sindsdien vrij ingrijpend gewijzigd. Vergelijk de beschouwing over het burenrecht in de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot Wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningsprocedure en welstandstoezicht), dat heeft geleid tot de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 518 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 734 nr. 3, blz. 6).

3.5.5 Dit een en ander neemt evenwel niet weg dat - naar ook uit het in 3.5.3 overwogene volgt - het bestemmingsplan, afhankelijk van de gedetailleerdheid ervan en van de omvang van het onderzoek dat eraan ten grondslag ligt (waarbij het niet slechts gaat om onderzoek vóór de vaststelling, maar ook om onderzoek en beoordeling in het kader van de goedkeuringsprocedure en een eventueel beroep tegen het goedkeuringsbesluit), meer of minder sterke aanwijzingen kan bevatten dat, voorzover het gaat om de elementen die in het bestemmingsplan regeling hebben gevonden, het gebruik maken van de toegestane bouwmogelijkheden naar maatschappelijke opvattingen niet als onrechtmatige hinder is te beschouwen.

De rechter zal derhalve, voorzover de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, het bestemmingsplan in zijn beoordeling dienen te betrekken en zijn uitspraak te dien aanzien deugdelijk dienen te motiveren.

3.6 Het in 3.5.3 overwogene brengt mee dat de onderdelen 2.2-2.4 falen voorzover zij strekken ten betoge dat een bouwvergunning die formele rechtskracht heeft gekregen en dus geacht moet worden in overeenstemming met het bestemmingsplan te zijn verleend, de houder die heeft gebouwd in overeenstemming met de bouwvergunning, in zoverre vrijwaart voor aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van onrechtmatige hinder.

Voorzover de onderdelen 2.2 en 2.4 klagen dat het hof ten onrechte de inhoud van het toepasselijke bestemmingsplan niet heeft betrokken in zijn beoordeling van de vraag of de hinder die [eiser] met de uitbouw aan [verweerder] c.s. heeft veroorzaakt, als onrechtmatig moet worden aangemerkt, zijn zij eveneens tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft kennelijk in de stellingen van [eiser] geen aanleiding gezien tot een uitvoeriger motivering dan het met zijn verwijzing naar "diverse publiekrechtelijke normen" - waarmee het mede het oog had op het bestemmingsplan - heeft gegeven. Dit oordeel, dat berust op een aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, is niet onbegrijpelijk.

3.7 Het hiervóór overwogene brengt mee dat onderdeel 2.5 bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden en dat onderdeel 3, dat geen zelfstandige betekenis heeft, evenmin kan slagen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 oktober 2005.