Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT8784

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
R04/141HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT8784
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil over alimentatie en voortgezet gebruik van echtelijke woning na echtscheiding, 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 616
JWB 2005/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/141HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 januari 2003 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot de rechtbank te Utrecht en verzocht echtscheiding tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken, een kinderalimentatie vast te stellen en te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

De man heeft een verweerschrift ingediend en daar-bij zelfstandig verzocht de echtelijke woning aan hem toe te wijzen.

De vrouw heeft het zelfstandig verzoek van de man bestreden en harerzijds nog aanvullend verzocht een partneralimentatie van € 525,-- per maand ten laste van de man vast te stellen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2004 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts - voor zover in cassatie van belang - bepaald dat de man aan de vrouw kinderalimentatie van € 129,-- per maand per kind moet betalen, dat de vrouw gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingbeschikking bevoegd is in de echtelijke woning te blijven wonen en de tot de inboedel behorende zaken te blijven gebruiken op de voorwaarde dat de vrouw die woning op het ogenblik van de inschrijving van deze beschikking bewoont, en het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft zij verzocht - met vernietiging van de bestreden beschikking - te bepalen dat de man, met ingang van de dag dat zij niet meer over de echtelijke woning als woonruimte kan beschikken, als bijdrage in het levensonderhoud een bedrag van € 525,-- bruto per maand zal betalen.

De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, waarbij hij heeft verzocht te bepalen dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om tot uiterlijk 15 oktober 2004 in de echtelijke woning te blijven wonen.

Bij beschikking van 30 september 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen met ingang van het moment dat zij de echtelijke woning zal hebben verlaten, vernietigd en bepaald dat de man met ingang van het moment dat de vrouw en de kinderen de voormalige echtelijke woning zullen hebben verlaten € 525,-- per maand in het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen dan wel de man daarin niet-ontvankelijk te verklaren.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van verzoeker heeft bij brief van 11 juli 2005 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 november 2005.