Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT8318

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2005
Datum publicatie
27-09-2005
Zaaknummer
03034/04 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT8318
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. ’s Hofs oordeel komt hierop neer dat in een geval als het onderhavige art. 183 SrNA niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift en een concrete tegenprestatie doch ook op het doen van giften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste uitleg van enige in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende, aan art. 183 SrNA ontleende term.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 541
NBSTRAF 2005/415
NbSr 2005/415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2005

Strafkamer

nr. 03034/04 A

SG/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 16 juli 2004, nummer H-45/04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd op Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, van 22 december 2003 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd door een rechtspersoon" strafbaar verklaard doch vastgesteld dat geen straf kan worden opgelegd en voorts ter zake van 2. "medeplegen van aan een ambtenaar een gift of een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van NAf 300,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof wat betreft feit 2 ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een 'doen of nalaten' in de zin van art. 183 SrNA.

4.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard:

"dat zij in de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 oktober 2002 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, aan [betrokkene 1], bij besluit van 21 juli 1999, no 99/7463, ter beschikking gesteld van het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao en tewerk gesteld als adviseur van de gedeputeerden van de politieke partij [...], en aldus ambtenaar zijnde (in de zin van artikel 183 jo 86 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen), en aan [betrokkene 2], Gedeputeerde van de Dienst Openbare Werken van het eilandgebied Curaçao, en aldus ambtenaar zijnde (in de zin van artikel 183 jo 86 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen) giften heeft gedaan, te weten geldbedragen heeft gegeven, met het oogmerk om hen te bewegen om, in strijd met hun ambtsplicht, in hun bediening iets te doen, of na te laten, te weten:

(voor wat betreft [betrokkene 1]) zorg te dragen dat aan [verdachte] het (deel)project Voorrijwegen en Parkeren van het project Nieuwbouw Passagiersterminal Hato Airport wordt gegund en,

(voor wat betreft [betrokkene 2]) zorg te dragen dat aan [verdachte] (bouw)projecten worden gegund en/of een relatie met [verdachte] te doen ontstaan en/of te blijven onderhouden waarin die [betrokkene 1] als adviseur van de Gedeputeerden van de partij [...] en [betrokkene 2] als Gedeputeerde tegenover die [verdachte] niet meer zo vrij en/of onbeïnvloed en/of onafhankelijk en/of objectief is/kan zijn bij het nemen van beslissingen waarbij die aannemingsmaatschappij als belanghebbende is betrokken als in het geval dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] die giften niet hadden aangenomen."

4.2.2. Naar aanleiding van een namens de verdachte gedaan beroep op de nietigheid der dagvaarding heeft het Hof het volgende overwogen en beslist:

"Relatie

In de tenlastelegging van feit 2 is de volgende passage opgenomen:

"(...) een relatie met [verdachte] te doen ontstaan en/of te blijven onderhouden, waarin die [betrokkene 1] als adviseur van de Gedeputeerden van de partij [...] en/of [betrokkene 2] als Gedeputeerde tegenover die [verdachte] niet meer zo vrij en/of onbeïnvloed en/of onafhankelijk en/of objectief is/kan zijn bij het nemen van beslissingen waarbij die aannemingsmaatschappij als belanghebbende is betrokken als in het geval [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] die gift(en) niet had(den) aangenomen (...)"

Kort gezegd en voor zover hier van belang, komt die passage hierop neer dat verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ertoe heeft willen bewegen een relatie met haar aan te gaan en te blijven onderhouden waarin [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet meer vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en objectief zouden staan ten opzichte van verdachte. De verdediging heeft de nietigheid van de dagvaarding op dat onderdeel bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het begrip "relatie" onvoldoende duidelijk is terwijl, zo begrijpt het Hof, sprake is van een te ver verwijderd verband tussen het in het delict opgenomen bestanddeel "in strijd met zijn plicht" en het niet meer vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en objectief staan ten opzichte van verdachte.

Het verweer faalt. Het begrip relatie betekent naar algemeen spraakgebruik het onderhouden van contacten. Dat begrip is aldus voldoende feitelijk bepaald om voor verdachte begrijpelijk te kunnen zijn. De onmiskenbare bedoeling van de steller van de tenlastelegging is voorts om tot uiting te brengen dat het verwijt niet slechts luidt dat de [verdachte] [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft willen bewegen om, in ruil voor geld, concrete projecten te gunnen, maar ook om, in ruil voor periodieke betalingen, contacten te onderhouden en te blijven onderhouden met [verdachte], welke contacten door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zo ingevuld zouden moeten worden dat de [verdachte] werden bevoordeeld of, minst genomen, immer een streepje voor zouden hebben. Zowel het een als het ander is volgens de steller van de tenlastelegging in strijd met de plicht van een ambtenaar. Dit verwijt, tot uiting gebracht in de geciteerde passage, is voldoende helder en concreet om voor verdachte begrijpelijk te kunnen zijn."

4.2.3. Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 heeft het Hof voorts nog het volgende overwogen:

"In strijd met de plicht, oogmerk

Zijdens de verdediging is aangevoerd dat het oogmerk om de ambtenaar te bewegen om in zijn bediening in strijd met zijn plicht te handelen bij de verdachte ontbrak. Tevens is het verweer gevoerd dat het causaal verband tussen de gift en het bewegen tot een gedraging in strijd met de ambtsplicht ontbrak, hetgeen betekent dat niet blijkt dat verdachte de bedoeling heeft gehad om door middel van giften [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] te brengen tot een handeling in strijd met hun ambtsplicht. Ook zou de vereiste wetenschap, dat de gedraging waartoe wordt bewogen met zich bracht dat de ambtenaar zijn ambtsplicht zou of moest schenden, ontbreken.

Dit verweer wordt verworpen. Het beoogde handelen van de betrokken ambtenaren in strijd met hun plicht bestond hierin dat zij zouden handelen in strijd met de voor hen geldende gedragslijn dat een ambtenaar -naar uit de aard van het ambtenaarschap voortvloeit - in zijn taakuitoefening eerlijk, nauwgezet en neutraal dient te zijn en alle belanghebbenden gelijkelijk dient te behandelen. Het geven van een voorkeursbehandeling is op die grond verboden. De verdachte wenste echter een dergelijke voorkeursbehandeling. Liefst zag verdachte dat de betrokken ambtenaren het zo organiseerden dat aan haar projecten werden gegund (zonder dat andere bedrijven een gelijke kans op projectverwerving zouden krijgen als verdachte), maar voor het geval de macht van die ambtenaren niet zover reikte wenste verdachte dat het afkomen van projecten voor de verdachte werd bespoedigd (hetgeen tot gevolg kon hebben dat door andere aannemers uit te voeren projecten zouden worden vertraagd). Meer in het algemeen was het zo, dat verdachte van de ambtenaren verlangde dat zij immer een streepje vóór zou hebben bij hen.

Dat een ambtenaar neutraal moet zijn en alle belanghebbenden gelijk moet behandelen is een feit van algemene bekendheid. Dat de handelingen die door de ambtenaar als tegenprestatie dienden te worden verricht plichtsverzuim op zouden leveren lag daarom voor de hand. Verdachte wist dus dat wat zij van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verlangde plichtsverzuim opleverde, althans heeft zij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zulks het geval zou zijn. Aldus was het oogmerk van verdachte niet alleen erop gericht de ambtenaar te bewegen iets te doen of na te laten, maar ook zulks in strijd met diens plicht te doen geschieden. De giften waren voorts, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, bedoeld om projecten te verkrijgen; het door de verdediging aangestipte causaal verband tussen gift en doel is daarmee gegeven."

4.3. Art. 183 SrNA, eerste lid, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1º. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten."

4.4. Het oordeel van het Hof komt hierop neer dat in een geval als het onderhavige art. 183 SrNA niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift en een concrete tegenprestatie doch ook op het doen van giften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste uitleg van enige in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende, aan art. 183 SrNA ontleende term.

4.5. Het middel faalt derhalve.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 september 2005.