Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT8238

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2005
Datum publicatie
09-09-2005
Zaaknummer
C04/096HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT8238
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AO1802
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

9 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/096HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], thans wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, (voorwaardelijk) incidenteel verweerder, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, (voorwaardelijk) incidenteel eiseres, advocaat: mr. K.G.W. van Oven. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 469
NJ 2006, 99
RFR 2006, 1
FJR 2006, 8
JWB 2005/292
AA20060046 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
JPF 2005/101 met annotatie van BER
SJP 2005/184
SJP 2005/185
JBPR 2006/3 met annotatie van CJMK
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 september 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/096HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

thans wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, (voorwaardelijk)

incidenteel verweerder,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie, (voorwaardelijk)

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 18 augustus 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg en gevorderd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de rechtshandeling waarbij de huwelijksgemeenschap tussen partijen op 18 april 1986 werd opgeheven te vernietigen:

- primair, wegens bedrog en misbruik van omstandigheden ex art. 3:44 BW en dwaling ex art. 6:228 BW, en

- subsidiair, op grond van het onrechtmatig handelen van de man jegens de vrouw door haar, zonder haar te informeren over de gevolgen ervan, te bewegen de huwelijksgemeenschap op te heffen door huwelijkse voorwaarden overeen te komen.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 25 oktober 2000 de rechtshandeling, waarbij de huwelijksgemeenschap tussen partijen op 18 april 1986 werd opgeheven, vernietigd en [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van [verweerster] veroordeeld.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 22 oktober 2003 heeft het hof in het principale en in het incidentele hoger beroep voormeld vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen gecompenseerd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. F.A.M. van Bree, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 24 augustus 1972 zijn [eiser] en [verweerster] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

(ii) Op 18 april 1986 is voor notaris [betrokkene 1] te [plaats] een akte gepasseerd waarbij [eiser] en [verweerster] verklaarden dat zij met het oog op het (toekomstig) beroep van de man als notaris huwelijkse voorwaarden wensten te maken, zodanig dat tussen hen geen enkele gemeenschap van goederen zou bestaan en dat zij voorafgaande daaraan de tot dat moment bestaande algehele gemeenschap van goederen wensten te scheiden naar de toestand per 1 februari 1986. [Eiser], die sinds 1973 als kandidaat-notaris bij het kantoor van [betrokkene 1] werkzaam was en die dit kantoor in augustus 1986 heeft overgenomen, heeft de tekst van de akte, zoals die is gepasseerd, opgesteld.

(iii) Op 16 mei 1997 is het huwelijk van [eiser] en [verweerster] ontbonden door inschrijving van de tussen hen gegeven echtscheidingsbeschikking van 5 maart 1997 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 [Verweerster] heeft aan haar hiervoor in 1 vermelde vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] haar heeft bewogen tot de opheffing van de huwelijksgemeenschap door huwelijkse voorwaarden overeen te komen, zonder haar te informeren over de inhoud en gevolgen van de (akte van) huwelijkse voorwaarden en dat zij de akte heeft ondertekend omdat zij blind vertrouwde op [eiser] en op zijn integriteit (zowel in zijn hoedanigheid van echtgenoot als in die van kandidaat-notaris en toekomstig notaris). Voorts stelde zij dat zij voorafgaand aan 18 april 1986 niet door [eiser] is geïnformeerd over de inhoud en gevolgen van de huwelijkse voorwaarden, noch een conceptakte heeft ontvangen; evenmin heeft notaris [betrokkene 1] haar, ten tijde van het passeren van de akte, geïnformeerd over de inhoud en gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft de vordering voorzover deze is gegrond op dwaling toewijsbaar geacht, en heeft de rechtshandeling waarbij de huwelijksgemeenschap tussen partijen op 18 april 1986 werd opgeheven, vernietigd, met veroordeling van [eiser] in de gedingkosten. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd en de kosten van het geding in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1 Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 5, waarin het hof heeft overwogen dat het met de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een rechtens relevante dwaling. Het onderdeel acht dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen omkleed, nu het hof niet, althans niet voldoende kenbaar, vaststelt omtrent welke aspecten van de overeenkomst [verweerster] gedwaald heeft en evenmin dat [verweerster] de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten zonder de onjuiste voorstelling van zaken. Aldus ontbreken in de redenering van het hof onmisbare schakels voor een geslaagd dwalingsberoep, aldus het onderdeel.

4.1.2 Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld, voorzover het klaagt dat het hof niet (voldoende kenbaar) heeft vastgesteld omtrent welke aspecten van de overeenkomst [verweerster] heeft gedwaald. In rov. 5 heeft het hof in aansluiting aan rov. 4 concluderend overwogen dat het met de rechtbank van oordeel was dat bij [verweerster] sprake was van rechtens relevante dwaling. Daarbij heeft het hof, gelet op de in rov. 4 vermelde omstandigheden en op hetgeen de rechtbank dienaangaande in rov. 4.3 en 4.4 heeft overwogen, kennelijk op het oog gehad dat [verweerster] heeft gedwaald omtrent de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden van 18 april 1986. De bij de genoemde overwegingen van de rechtbank aansluitende gedachtegang van het hof in rov. 4 en 5 komt immers in het kort hierop neer dat

- [eiser] met het oog op de overname van het notariskantoor van [betrokkene 1] een conceptakte van huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld, welke akte [verweerster] niet vooraf heeft ontvangen en omtrent de inhoud waarvan zij niet deugdelijk door [eiser] en notaris [betrokkene 1] is voorgelicht,

- deze akte, die slechts beperkt is voorgelezen, vermeldt dat het motief tot het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is gelegen in het beroep van [eiser] en, naar het hof aannemelijk achtte, alleen was bedoeld ter beperking van de risico's die uit het toekomstige ondernemerschap van [eiser] voortvloeiden,

- [verweerster] niet heeft overzien wat de vermogensrechtelijke consequenties van de akte waren, zoals de omstandigheid dat [verweerster] niet langer zou delen in de vruchten van de arbeid van [eiser] en dat een verrekenbeding voor het geval van echtscheiding ontbrak, en

- [verweerster] geen nadere onderzoeksplicht had naar de mogelijke gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden, omdat zij als leek erop mocht vertrouwen dat haar echtgenoot, een ervaren notarieel jurist, met wie de relatie destijds goed was, haar mede gelet op zijn vertrouwensfunctie goed en op onpartijdige wijze had ingelicht omtrent de (werkelijke) gevolgen van de akte.

4.1.3 Het onderdeel faalt ook, voorzover het klaagt dat het hof niet voldoende duidelijk heeft overwogen dat [verweerster] de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten zonder de onjuiste voorstelling van zaken. Het hof was, naar in rov. 4 en 5 van het arrest onmiskenbaar ligt besloten, van oordeel dat als [verweerster] zou zijn voorgelicht omtrent de vermogensrechtelijke gevolgen van de akte, zij deze akte niet, althans niet ongewijzigd, zou hebben ondertekend. Dit oordeel behoefde in het licht van het debat van partijen, waarin [eiser] bestreed dat van dwaling sprake was maar niet (subsidiair) is ingegaan op het mogelijk ontbreken van causaal verband tussen de door [verweerster] gestelde dwaling en de totstandkoming van de akte van huwelijkse voorwaarden, geen nadere motivering.

4.2.1 Onderdeel 2 keert zich met een motiveringsklacht tegen rov. 5, voorzover het hof daarin heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op dwaling is voldaan (onder meer) omdat de akte van huwelijkse voorwaarden afwijkt van het in die rechtsoverweging omschreven doel van de akte. Het onderdeel acht dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van enkele in het onderdeel vermelde omstandigheden en stellingen van [eiser].

4.2.2 Het onderdeel faalt. In het licht van de hiervoor in 4.1.2 samengevatte gedachtegang van het hof, behoefde het hof zijn oordeel dat bij [verweerster] van relevante dwaling sprake was niet nader te motiveren dan het heeft gedaan. 's Hofs oordeel komt immers erop neer dat [verweerster] niet ervan op de hoogte was, noch ervan op de hoogte behoefde te zijn, dat de akte van huwelijkse voorwaarden, waarin als motief voor het opmaken van de akte slechts het beroep van [eiser] was vermeld, niet alleen gevolgen had voor haar positie ten opzichte van derden (in verband met aanspraken ter zake van door [eiser] als notaris verrichte handelingen), maar evenzeer gevolgen had voor haar vermogensrechtelijke positie jegens [eiser] die geen verband hielden met het in de akte uitgedrukte motief van beperking van de risico's die konden voortvloeien uit het ondernemerschap van [eiser]. Tegen deze achtergrond noopten de in het onderdeel vermelde stellingen en omstandigheden het hof niet tot nadere motivering.

4.3.1 De onderdelen 3 tot en met 9 keren zich tegen de beslissing van het hof (in rov. 4 tot en met 6) met betrekking tot de verdeling van de bewijslast ten aanzien van de door [verweerster] aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat zij de strekking en de gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden niet heeft kunnen overzien.

4.3.2 Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt vooropgesteld dat het hof in rov. 6, kennelijk in reactie op de vijfde grief, die op de verdeling van de bewijslast betrekking had, heeft overwogen "dat in het onderhavige geval een redelijke bewijslastverdeling met zich medebrengt dat de man had dienen te bewijzen dat de vrouw de strekking en de gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden kon overzien". Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat weliswaar volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. in verbinding met art. 6:228 lid 1 BW de bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op dwaling kunnen opleveren, rust op degene die zich op dwaling beroept, maar dat in het onderhavige geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Aldus heeft het hof, met toepassing van het bepaalde in de slotzin van art. 150 Rv., in afwijking van de hoofdregel de bewijslast niet op [verweerster] gelegd, maar op [eiser]. Deze beslissing geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot deze op de eisen van redelijkheid en billijkheid gegronde uitzonderingsbepaling en evenmin van de bij de toepassing daarvan in het algemeen te betrachten terughoudendheid. Het hof heeft voorts met zijn verwijzing naar rov. 4 toereikend gemotiveerd vastgesteld welke omstandigheden tot dit oordeel hebben geleid en voldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die het daarbij heeft gevolgd. In de hiervoor in 4.1.2 geschetste gedachtegang van het hof was immers sprake van een uitzonderlijke situatie waarin [eiser] in strijd met het vertrouwen dat [verweerster] in hem als haar echtgenoot (in een goede huwelijksrelatie) en als notarieel jurist in een vertrouwensfunctie mocht stellen, hoogst onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij heeft verzuimd haar goed en onpartijdig omtrent de vermogensrechtelijke gevolgen van de akte voor te lichten. Daarom is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dat het hof aan de uitzonderingsbepaling toepassing heeft gegeven.

4.3.3 Op het hiervoor overwogene stuiten de onderdelen 3 tot en met 9 alle af.

5. Beoordeling van de middelen in het incidentele beroep

5.1.1 Het eerste, onvoorwaardelijk voorgestelde middel keert zich tegen rov. 9, waarin het hof heeft overwogen dat het, nu partijen ex-echtgenoten zijn, aanleiding ziet de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen te compenseren, alsmede tegen het dictum waarin het hof de kosten van het geding in hoger beroep aldus heeft gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het middel acht dit oordeel, dat slechts is gegrond op de overweging dat partijen ex-echtgenoten zijn, zonder in het arrest ontbrekende nadere motivering onbegrijpelijk, omdat het hof wel het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd waarin de man als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten is veroordeeld.

5.1.2 Het middel faalt, omdat van onbegrijpelijkheid geen sprake is. De uitoefening van de bevoegdheid van de rechter om op de voet van de tweede volzin van art. 237 lid 1 Rv. de kosten van het geding te compenseren op de grond dat partijen ex-echtgenoten zijn, staat los van het antwoord op de vraag wie van beide partijen als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen. Dat brengt mee dat de rechter die op basis van die bevoegdheid in hoger beroep wegens de familieverwantschap de proceskosten compenseert, om die beslissing begrijpelijk te doen zijn niet behoeft te motiveren waarom hij een in eerste instantie gegeven andersluidende beslissing omtrent de gedingkosten in stand laat.

5.2 Nu de voorwaarde waaronder de middelen II en III zijn voorgesteld niet is vervuld, behoeven deze middelen geen behandeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.