Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT8188

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
40857
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AO6214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Motiveringsgebrek m.b.t. oordeel over vervangingsvoornemen, artikel 14 Wet IB 1964.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/322
Belastingadvies 2005/14.9
V-N 2005/32.15 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1234
NTFR 2005/837 met annotatie van E. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.857

24 juni 2005

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 2004, nr. P03/02209, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.497.243, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1.1. Voor het Hof heeft belanghebbende zich erop beroepen dat zij onderdeel is van het D-concern, een onroerendgoedconcern, en dit concern, zoals zij dat stelt, stelselmatig aan haar vervangingsverplichting voldoet. Het Hof heeft geoordeeld dat het hier gaat om aanwijzingen die zijn gelegen in de sfeer van de aandeelhouder van belanghebbende, en dat dan ook niets is komen vast te staan over het voornemen van de directie van belanghebbende.

3.1.2. Middel 1 klaagt onder meer over de motivering van 's Hofs oordeel dat belanghebbende haar vervangingsvoornemen niet aannemelijk heeft gemaakt. Het middel slaagt. Het feit dat, naar niet in geschil is, belanghebbende behoort tot een concern dat zich bezighoudt met de aan- en verkoop alsmede de exploitatie van onroerende zaken, kan immers van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een vervangingsvoornemen. Het hiervoor onder 3.1.1 weergegeven oordeel van het Hof behoefde derhalve nadere motivering, welke echter ontbreekt.

3.2. Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3. Gelet op het hiervoor onder 3.1.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2005.