Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT7940

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
00931/05 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2005

Strafkamer

nr. 00931/05 H

AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 18 augustus 1997, nummer 04/051158-97, ingediend door mr. J. Ruijs, advocaat te Helmond, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de indiening van de aanvrage wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.

3.3. In de aanvrage wordt allereerst aangevoerd dat de zaak niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien bekend was geweest dat de aanvrager de valse Duitse bankbiljetten heeft ontvangen van twee hem onbekende personen, op wier verzoek hij Nederlandse bankbiljetten wisselde tegen de Duitse bankbiljetten. Voorts wordt in de aanvrage gesteld dat in het betreffende proces-verbaal geen verhoor van deze personen is te vinden, terwijl hun verklaringen zeer wel ontlastend zouden kunnen zijn.

3.4. De aanvrage bevat geen opgave van bewijsmiddelen waaruit van de daarin genoemde omstandigheden kan blijken. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 juni 2005.