Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT7645

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2005
Datum publicatie
17-06-2005
Zaaknummer
40377
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Betaling in vreemde valuta op veerboot geen afzonderlijke prestatie in de zin van artikel 11, lid 1, aanhef en letter i, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 8
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/274 met annotatie van D.B. Bijl
Belastingadvies 2005/14.12
FutD 2005-1188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.377

17 juni 2005

EC

gewezen op het beroep in cassatie van Fiscale eenheid X B.V. c.s. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 november 2003, nr. BK-02/02749, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 70.986, alsmede een boete van ƒ 3549. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot op een bedrag van ƒ 22.930 aan enkelvoudige belasting en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen.

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteerde in het tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft, een winkel aan boord van een schip waarmee zij passagiers van Nederland naar Engeland vervoerde. De in de winkel bij de artikelen vermelde prijzen waren in Nederlandse guldens en in Britse ponden, onder vermelding van de gehanteerde wisselkoers. De klanten konden hun aankopen in beide valuta voldoen. Zo zij in Britse ponden niet gepast betaalden, werd hun het verschil in Britse ponden uitgekeerd. Bij de kassa was vermeld:

"Onze prijzen zijn standaard aangegeven in Nederlandse guldens (Hfl). Bij betaling in andere valuta zal de volgende wisselkoers worden berekend:

Our prices shown are standard Dutch currency (Hfl). When paying in other currencies we will charge you following rates:

Hfl. 1,00 = Gbp 0,2985

Hfl. 1.00 = DM 1,00"

Door deze handelwijze heeft belanghebbende, gerekend naar de op het tijdstip van de leveringen geldende officiële wisselkoersen, bij de in Britse ponden betaalde leveringen meer ontvangen dan wanneer voor deze leveringen in guldens was betaald dan wel, uitgaande van de prijzen in guldens, de prijzen in Britse ponden waren berekend aan de hand van de officiële wisselkoersen.

3.1.2. Belanghebbende heeft zich bij het doen van aangifte op het standpunt gesteld dat zij, ingeval een klant in Britse ponden betaalde, aan deze klant twee, te onderscheiden prestaties tegen vergoeding verrichtte, te weten de levering van een goed en een dienst bestaande uit het accepteren van (een betaling in) Britse ponden, waarbij als vergoeding voor de dienst het hiervóór bedoelde meer ontvangen bedrag zou hebben te gelden. Voorts ervan uitgaande dat deze dienst vrijgesteld is van omzetbelasting ingevolge het bepaalde in artikel 11, lid 1, aanhef en letter i, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), heeft zij te dezer zake geen omzetbelasting voldaan.

3.1.3. De Inspecteur heeft, van mening zijnde dat sprake is van slechts één prestatie met als vergoeding het totale, door de klant in Britse ponden betaalde bedrag, de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd, waarbij omzetbelasting is nageheven over het hiervóór bedoelde meer ontvangen bedrag (uitgedrukt in guldens).

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de verkopen waarbij in Britse ponden werd betaald, hebben te gelden als telkens één prestatie, te weten de levering van een goed, en dat geen afzonderlijk in aanmerking te nemen dienst is te onderkennen. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder betekenis toegekend aan de omstandigheden dat de prijzen van de artikelen in de winkel waren vermeld in Britse ponden naast die in guldens en dat de klant die zijn aankopen in Britse ponden niet gepast betaalde, het wisselgeld in de Britse valuta kreeg uitgekeerd.

3.2.2. Tegen deze oordelen keren zich de middelen met in hoofdzaak het betoog dat het Hof zich bij zijn oordelen niet voldoende rekenschap heeft gegeven van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad betreffende de samenloop van twee of meer prestaties, in het bijzonder nu het in dit geval volgens de middelen gaat om een samenloop van een levering en een financiële handeling.

3.3. 's Hofs oordeel dat onder de omstandigheden van dit geval sprake is van één prestatie, te weten de levering van een goed, tegen betaling van één, in Britse ponden uitgedrukte, prijs (welke bij het doen van aangifte op de voet van artikel 8, lid 6, van de Wet (tekst 1999) moet worden omgerekend in Nederlandse guldens), geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Vergelijk ook Hoge Raad 4 november 1981, nr. 20782, BNB 1981/337. Aangezien aldus niet sprake is van meer dan één prestatie, wordt niet toegekomen aan de door de middelen bedoelde jurisprudentie inzake de samenloop van prestaties.

Op grond van het vorenstaande falen de middelen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2005.