Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT7492

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
R03/133HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT7492
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1533
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

24 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R03/133HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [de man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.M. Schutte. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 377
JWB 2005/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R03/133HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.M. Schutte.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 3 september 1999 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat met ingang van 1 augustus 1999 een einde is gekomen aan de alimentatieverplichting van de man, subsidiair de termijn te bepalen gedurende welke hij nog verplicht is deze alimentatie te voldoen en of die termijn kan worden verlengd.

Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden en harerzijds in reconventie verzocht de tussen partijen door de rechtbank te 's-Gravenhage gegeven voorlopige beschikking van 4 december 1992 in dier voege te wijzigen dat de rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van 1 februari 1993, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 10.000,-- per maand, althans ƒ 5.000,-- per maand, althans op een hoger bedrag dan ƒ 3.000,-- per maand.

De rechtbank heeft het verzoek van de man behandeld ter zitting van 5 september 2000 en vervolgens bij beschikking van 26 september 2000 (a) bepaald dat de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd met ingang van 17 juli 2004, (b) bepaald dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan mogelijk is, (c) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van de verlengingstermijn en (d) het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man tot 1 augustus 2019 alimentatie dient te voldoen.

Bij beschikking van 13 juni 2001 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Na behandeling van het verzoek van de vrouw op 7 november 2000 heeft de rechtbank bij beschikking van 12 december 2000 de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek voor zover dit (een verlenging van) haar vermeerderde alimentatieverzoek betreft, zoals door haar gedaan ter terechtzitting van 22 september 1999. Voorts heeft de rechtbank de bij voornoemde beschikking van 4 december 1992 vastgestelde voorlopige alimentatie van ƒ 3.000,-- per maand met terugwerkende kracht definitief vastgesteld, en is het verzoek van de vrouw, voor zover het een "nieuw" verzoek betreft afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 13 augustus 2003 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.

Laatstgenoemde beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 juni 2005.