Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT7217

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
39204
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Heffing rioolafvoerrecht toegestaan? Dienstverlening uit hoofde algemeen belang?

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/5133
Belastingblad 2005/1269
BNB 2005/268 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
V-N 2005/30.28 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1146
JOM 2006/1288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.204

10 juni 2005

RS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 november 2002, nr. BK-00/00756, betreffende na te melden aanslag in de rioolrechten van de gemeente Rotterdam.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Voor het jaar 1997 is aan belanghebbende, gebruikster van het eigendom a-straat 1 te Z, een voorlopige aanslag ter zake van het afvoeren vanuit dat eigendom van afvalwater op de gemeentelijke riolering opgelegd ten bedrage van ƒ 49.204,80, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de directeur van de Dienst Gemeentelijke Belastingen van de gemeente Rotterdam is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof niet is ingegaan op de door belanghebbende voor het Hof ingenomen stelling dat de gemeente geen recht mag heffen voor een dienst die zij uit hoofde van het algemeen belang uit de algemene middelen moet bekostigen.

3.2. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 229 van de Gemeentewet moet worden afgeleid dat de wetgever daarmee de mogelijkheid wilde laten voortbestaan dat gemeenten rioolrechten heffen, zulks kennelijk onverschillig of het (doen) aanleggen en onderhouden van een rioleringsstelsel, het aansluiten van onroerende zaken van derden op dat stelsel, en het afvoeren via dat stelsel van afvalwater afkomstig uit onroerende zaken van derden, werkzaamheden zijn die liggen binnen het gebied van de publieke taakuitoefening. Ook de vraag of de gemeentelijke werkzaamheden ter zake waarvan wordt geheven rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang, speelt geen rol bij de heffing van rioolrechten, anders dan bij de leges waarop betrekking hebben de arresten van de Hoge Raad van 14 oktober 1992, nr. 27804, BNB 1993/24, en 11 juni 1997, nr. 31253, BNB 1997/271, waarop belanghebbende zich voor het Hof heeft beroepen, en het nadien nog gewezen arrest van 13 augustus 2004, nr. 37836, BNB 2004/369.

3.3. De opvatting die aan het middel ten grondslag ligt, is derhalve onjuist, zodat het middel, wat daarvan overigens zij, niet tot cassatie kan leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.