Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT6532

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2005
Datum publicatie
17-06-2005
Zaaknummer
R04/122HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT6532
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ6737
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

17 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/122HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], ERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 361
JWB 2005/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/122HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 oktober 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en, voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven, verzocht:

- echtscheiding tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken;

- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen minderjarig kind te bepalen op € 650,-- per maand;

- te bepalen dat de verblijfplaats van het kind bij de vrouw zal zijn en

- te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap zal worden gescheiden en gedeeld.

De man heeft het echtscheidingsverzoek niet en de overige verzoeken van de vrouw wel bestreden en zelfstandig verzocht:

- primair te bepalen dat de man wordt bekleed met het gezag over het minderjarig kind van partijen, subsidiair dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de man zal zijn;

- een omgangsregeling tussen de man en het minderjarige kind vast te stellen en

- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 21.000,-- ter zake van onttrekking aan zijn vermogen.

De vrouw heeft de zelfstandige verzoeken van de man bestreden.

Met een op 8 april 2003 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen aanvullend verzoekschrift heeft de vrouw verzocht:

- de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en het minderjarig kind pro forma aan te houden tot 1 september 2003, waarbij tussentijds de omgang tussen de man en het minderjarig kind zal gelden als bepaald bij beschikking van 27 februari 2003;

- de scheiding en deling van de boedel te gelasten conform de huwelijkse voorwaarden, waarbij de man een bedrag van € 105.000,-- aan de vrouw dient te voldoen.

De man heeft de aanvullende verzoeken van de vrouw bestreden.

Bij een op 27 juni 2003 ter griffie van de rechtbank ingekomen brief heeft de man de rechtbank, voor zover hier van belang, verzocht de vrouw te veroordelen om aan hem terstond een bedrag van € 9.204,82 terug te betalen op basis van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, alsmede een bedrag van € 16.108,07 verminderd met het bedrag dat aantoonbaar is gebruikt voor de betaling van de huishoudelijke kosten, ook op basis van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 5 september 2003 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de verzoeken inzake verrekening volgens de artikelen 3 en 8 van de huwelijkse voorwaarden afgewezen, en de overige verzoeken aangehouden.

Tegen deze beschikking heeft de man onder meer wat betreft de afwijzing door de rechtbank van de terugbetaling door de vrouw aan de man van een totaal bedrag van € 25.312,89 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft zij het hof verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoek af te wijzen en onder meer te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 117.500,-- betaalt op grond van art. 8 van de huwelijkse voorwaarden. Voorts heeft zij verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen ten aanzien van de door de man ingestelde (en door de rechtbank afgewezen) vordering en tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank wat de door de vrouw ingestelde (en door de rechtbank afgewezen) vordering betreft.

Bij beschikking van 14 mei 2004 heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het hof heeft bij eindbeschikking van 11 augustus 2004 de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover nog aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.

De beschikking van het hof van 11 augustus 2004 is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermelde beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de man heeft op die op 25 maart 2005 gedateerde en aan partijen toegezonden conclusie gereageerd bij brief van 23 mei 2005. Nu deze reactie meer dan twee weken nadat de conclusie aan partijen was verzonden, en derhalve na het verstrijken van de termijn van art. 44 lid 3 Rv. bij de Hoge Raad is ingekomen, heeft de Hoge Raad deze brief terzijde gelegd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 17 juni 2005.