Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT6531

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
R04/089HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT6531
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AT2999
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

10 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/089HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], België, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 822
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 347
JWB 2005/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/089HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats], België,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 19 juli 1999 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de rechtbank 's-Gravenhage en verzocht met toepassing van het Nederlands recht echtscheiding tussen hem en verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken.

De vrouw heeft het verzoek naar Nederlands recht bestreden en primair verzocht echtscheiding naar Belgisch recht uit te spreken. Subsidiair heeft zij zelfstandig de rechtbank verzocht te bepalen:

- dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 25.000,-- per maand dient te betalen;

- dat de man tevens een bijdrage van ƒ 2.000,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarig kind dient te betalen en

- dat de vrouw bij uitsluiting bevoegd is tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding.

De rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2000 bepaald dat op het door de man ingediende verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing is en een datum voor de voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald.

Op het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen voormelde beschikking heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 17 januari 2001 de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.

Na een op 8 juni 2001 voortgezette mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij beschikking van 10 augustus 2001 een deskundigenonderzoek bevolen.

Bij brief van 1 februari 2002 heeft de vrouw haar verzoek tot alimentatie verhoogd van ƒ 25.000,-- naar ƒ 45.000,-- per maand.

Bij brief van 29 oktober 2003 heeft de man te kennen gegeven dat hij zich refereert aan het aanvankelijke alimentatieverzoek van de vrouw, met dien verstande dat de einddatum op 31 december 2012 wordt gesteld.

De rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2003 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man een bedrag van € 908,-- per maand zal voldoen voor de opvoeding en verzorging van het minderjarig kind van partijen en een bedrag van € 20.420,-- per maand voor het levensonderhoud van de vrouw.

Tegen de beschikking van 15 december 2003 heeft de man wat de echtscheiding, de vaststelling van de partner-alimentatie en de afwijzing van het verzoek tot limitering van de wettelijke alimentatietermijn hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij heeft daarbij verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

a. primair de partneralimentatie te bepalen op € 11.345,- per maand dan wel subsidiair een onderzoek te gelasten naar de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en

b. te bepalen dat de alimentatietermijn uiterlijk acht jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers eindigt.

Bij beschikking van 28 april 2004 heeft het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard en iedere verdere beslissing aangehouden.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw is in cassatie niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De in het middel onder 1a en 1b aangevoerde klachten nemen tot uitgangspunt dat het hof de man in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 15 december 2003 niet-ontvankelijk heeft verklaard niet slechts met betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, maar ook met betrekking tot de vaststelling door de rechtbank van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud en de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot limitering van de wettelijke alimentatietermijn. Deze klachten berusten op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en kunnen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers blijkens hetgeen het in rov. 1 en aan het slot van rov. 3 van de bestreden beschikking heeft overwogen en blijkens de in het dictum van die beschikking opgenomen beslissing tot aanhouding van iedere verdere beslissing, de man slechts in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover hij met zijn eerste grief opkwam tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding.

3.2 Ook de overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 juni 2005.