Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT6371

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
17-10-2005
Zaaknummer
C04/194HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT6371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolg van HR 24 mei 2002, C00/237HR, NJ 2003, 267; Onrechtmatige overheidsdaad, rechtmatigheid van het besluit van de minister van LNV in juni 1985 tot ongegrondbevinding van het bezwaar van een melkveehouder tegen de weigering door directeur landbouwvoorziening van de door die melkveehouder op de voet van art. 11 Beschikking superheffing aangevraagde toekenning van een bijzonder melkquotum, toekenning van specifieke referentiehoeveelheden aan producenten als bedoeld in art. 3, sub 1, eerste alinea van EEG-verordening nr. 857/84 voor investeringsverplichtingen aangegaan vóór 1 september 1981, prejudiciële vragen aan HvJEG; gebondenheid van de burgerlijke rechter aan de feitelijke en juridische stellingen, vorderingen en verweren waarvan partijen zich in een voor het CBB (in 1991) onder de Wet Arbo gevoerde geding hebben bediend?

Wetsverwijzingen
Beschikking superheffing SLOM-cessionarissen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 573
NJ 2006, 132
RvdW 2005, 116
JWB 2005/351
JB 2006/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 oktober 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/194HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voorheen Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G.J.H. Houtzagers.

1. Het verloop van het geding in voorgaande instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen thans verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - en thans eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 24 mei 2002, nr. C00/237, NJ 2003, 267.

Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 mei 2000 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.

Bij exploot van 4 oktober 2002 heeft de Staat [eiser] opgeroepen om voor dit hof verder te procederen.

Na conclusiewisseling en pleidooi na verwijzing zijdens partijen heeft het hof bij arrest van 5 februari 2004 de vonnissen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 11 december 1996, 4 maart 1998 en 25 november 1998 vernietigd en de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. drs. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft op 25 mei 2005 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], melkveehouder, heeft in 1979 met de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw een zogenaamde SLOM-overeenkomst gesloten, waarbij hij zich verbond om vanaf 11 maart 1980 tot 10 maart 1984 geen melk of melkproducten te leveren. [Eiser] is vervolgens in plaats van de melkveehouderij een mestveebedrijf gaan exploiteren.

(ii) In het kader van een ruilverkaveling kon [eiser] de beschikking krijgen over 36 ha grond, grenzend aan zijn bedrijfsgebouwen, die hem zouden worden toebedeeld indien hij daarop (weer) een melkveebedrijf zou voeren.

Voorwaarde voor de daarvoor benodigde bestemmingswijziging was dat hij vóór 1 juli 1981 een bouwvergunning zou aanvragen voor de bouw van een melkveestal en dat de bouw in 1981 zou worden gestart.

(iii) [Eiser] heeft op 11 juni 1981 een drietal opdrachtbevestigingen getekend, waarbij hij aan Invepro BV ("Invepro") opdracht gaf voor de onder-(of ruw-)bouw, bovenbouw en inrichting van een melkveestal voor respectievelijk, afgerond, f 286.000,-- f 176.000,-- en f 48.000,--. In de opdrachtbevestigingen voor de onderbouw en bovenbouw van de stal is opgenomen dat het "contract vervalt, als er geen bouwvergunning en financiering wordt verleend". In de opdrachtbevestiging voor de bovenbouw is daaraan toegevoegd: "in dat geval wordt voor de verrichte werkzaamheden een bedrag van f 2500 berekend." [Eiser] heeft eind juni 1981 een aanvrage voor een bouwvergunning ingediend, welke hem bij besluit van 27 oktober 1981 is verleend. De ABN bank heeft bij brief van 21 september 1981 aan [eiser] medegedeeld bereid te zijn (onder andere) de bouw van de ligboxenstal te financieren.

(iv) De onderbouw is, toen bleek dat Invepro niet in staat was die uit te voeren, op 2 oktober 1981 aan een andere aannemer ([betrokkene 1]) opgedragen, die de werkzaamheden onder begeleiding van Invepro heeft verricht. Invepro BV heeft de stalinrichting geleverd (en in rekening gebracht).

(v) De stal is in 1983 gereed gekomen.

(vi) [Eiser] heeft in 1983, het jaar dat in Nederland geldt als referentiejaar voor de bepaling van de hoeveelheid heffingvrij te leveren melk ("het melkquotum"), geen melkproducten afgeleverd. Hij kon in dat jaar niet produceren omdat hij deelnam aan de SLOM-regeling, maar kwam niet in aanmerking voor een melkquotum op grond van de Beschikking superheffing SLOM-deelnemers.

(vii) [Eiser] heeft op 27 juni 1984 op de voet van art. 11 van de Beschikking superheffing een aanvraag ingediend voor de toekenning van een bijzonder melkquotum. Nadat die aanvraag door de directeur landbouwvoorziening in de provincie Zuid-Holland was geweigerd en de Minister van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij ("de minister") het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 12 juni 1985 ongegrond had verklaard, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven ("CBB") bij uitspraak van 4 april 1991 het tegen die beslissing ingestelde beroep van [eiser] verworpen, omdat, voorzover in dit geding van belang, [eiser] zijn investeringsverplichtingen niet had aangegaan binnen de in art. 11 van de Beschikking superheffing genoemde periode tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984.

3.2.1 De in de onderhavige procedure ingestelde vordering stelt in hoofdzaak en voorzover thans van belang de vraag aan de orde of het hiervóór in 3.1 onder (vii) genoemde besluit van de minister van 12 juni 1985 onrechtmatig is.

3.2.2 Voor de bij de beantwoording van deze vraag te hanteren maatstaven is allereerst de volgende uiteenzetting van belang, die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) heeft gegeven in zijn arrest van 12 juli 1990, zaak C-16/89 (Spronk), Jurispr. 1990, p. I-3185:

"8 Bij verordening nr. 856/84 van 31 maart 1984 heeft de Raad een extra heffing ingesteld, die wordt geheven over de hoeveelheden geleverde melk die een voor elke Lid-Staat vastgestelde referentiehoeveelheid overschrijden. De heffing is verschuldigd hetzij door de melkproducent (formule A), hetzij door de koper van melk of andere zuivelprodukten, die deze doorberekent aan de producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper (formule B).

9 De wijze van berekening van de referentiehoeveelheid is vastgesteld bij verordening nr. 857/84 van de Raad. Krachtens artikel 2, lid 1, van deze verordening is de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd of gekocht, verhoogd met 1 %. Volgens lid 2 van dit artikel kunnen de Lid-Staten evenwel bepalen dat op hun grondgebied de referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent, geleverd of gekocht gedurende het kalenderjaar 1982 of het kalenderjaar 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld, dat de gegarandeerde hoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat niet wordt overschreden.

10 Om rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties zijn afwijkingen van deze voorschriften voorzien in de artikelen 3, 4 en 4 bis van deze verordening. Artikel 3, sub 1, van verordening nr. 857/84 luidt als volgt:

"In het kader van de toepassing van de formules A en B wordt bij de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde referentiehoeveelheden rekening gehouden met bepaalde bijzondere situaties, zulks overeenkomstig de volgende bepalingen:

1) producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend dat vóór 1 maart 1984 is ingediend, kunnen overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat verkrijgen:

- indien het plan in uitvoering is: een specifieke

referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de in het ontwikkelingsplan vermelde hoeveelheden melk en zuivelprodukten

- indien het plan na 1 januari 1981 is uitgevoerd: een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die zij hebben geleverd in het jaar waarin het plan is voltooid.

Indien de Lid-Staat over voldoende gegevens beschikt, kan ook rekening worden gehouden met de zonder ontwikkelingsplan verrichte investeringen."

11 Vorengenoemde bepaling is reeds uitgelegd in het arrest van 11 juli 1989 (gevoegde zaken 196/88 tot en met 198/88, Cornée, Jurispr. 1989, blz. 2309). In dat arrest heeft het Hof het eerste streepje van artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr. 857/84 voor het geval waarin het ontwikkelingsplan in uitvoering is, aldus uitgelegd, dat het de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid verleent om al dan niet specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen aan de in deze bepaling bedoelde producenten en om in voorkomend geval de omvang van deze specifieke referentiehoeveelheden vast te stellen (r.o. 13 van het arrest).

12 De Lid-Staten beschikken over een identieke discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het in het tweede streepje van deze bepaling bedoelde geval, waarin, zoals in het hoofdgeding, het ontwikkelingsplan na 1 januari 1981 is uitgevoerd.

13 Wanneer een Lid-Staat besluit gebruik te maken van de bevoegdheid uit dien hoofde specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen, is zijn beoordelingsmarge bij de vaststelling van de hoogte van de referentiehoeveelheden evenwel beperkt door eisen die voortvloeien uit zowel de tekst van de betrokken bepaling, het met die bepaling nagestreefde doel als het discriminatieverbod."

3.2.3 Aan de verordeningen (EEG) nr. 856/84 en 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 is in Nederland uitvoering gegeven met de Beschikking superheffing. Voor de onderhavige zaak zijn daarvan in het bijzonder de leden 1-3 van art. 11 van belang. Deze luiden:

"1. Degene, die na 1 september 1981 maar vóór 1 maart 1984 investeringsverplichtingen heeft aangegaan kan, op de voet van de bepalingen van dit artikel, aanspraak maken op een bijzondere hoeveelheid die afwijkt van de hoeveelheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5, tweede lid. Zodanige aanspraak kan eveneens worden gemaakt, indien een andere zakelijk gerechtigde op de betrokken grond die verplichtingen heeft aangegaan.

2. Onder investeringsverplichtingen bedoeld in het eerste lid wordt verstaan verplichtingen tot investeringen, dan wel verplichtingen in het kader van het Besluit landbouwbedrijven met ontwikkelingsmogelijkheden (Stcrt. 1974, 83 en 89) terzake van de uitvoering van een goedgekeurd ontwikkelingsplan,

a. hetzij voor een bedrag van tenminste vijftigduizend gulden ten behoeve van vervanging van, of uitbreiding tot, een totaal aantal van ten hoogste 60 standplaatsen met meer dan 20% doch met niet minder dan 5 standplaatsen;

b. hetzij voor een bedrag van tenminste honderdduizend gulden ten behoeve van vervanging van, of uitbreiding tot, een totaal aantal van meer dan 60 standplaatsen met meer dan 25%.

Onder 'investeringsverplichtingen' wordt mede verstaan verplichtingen welke zijn aangegaan voor een bedrag van tenminste 90% van het onder a, onderscheidenlijk b, genoemde bedrag, indien kan worden bewezen dat eigen arbeid is verricht voor een waarde van tenminste het verschil tussen het bedrag, genoemd onder a, onderscheidenlijk b, en het bedrag waarvoor verplichtingen zijn aangegaan.

3. Onder standplaatsen bedoeld in het tweede lid wordt verstaan voor melk- of kalfkoeien ingerichte standplaatsen, voorzieningen die daarmee rechtstreeks verband houden daaronder begrepen, die na 1 januari 1982 daadwerkelijk in gebruik zijn genomen."

3.3.1 De rechtbank en het hof te 's-Gravenhage hebben geoordeeld dat de investeringsverplichtingen van [eiser] voor de onder- en bovenbouw van de stallen moeten worden beschouwd als te zijn aangegaan tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 en dat de Staat derhalve onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, want in strijd met art. 11 van de Beschikking superheffing.

Op het tegen het arrest van dat hof ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad naar aanleiding van onderdeel 3 van het door de Staat voorgedragen cassatiemiddel geoordeeld:

" 3.6.2 Het onderdeel klaagt terecht over de onjuistheid van 's Hofs oordeel dat als tijdstip van het aangaan van de investeringsverplichting in de zin van art. 11 van de Beschikking superheffing geldt het tijdstip waarop zowel de bouwvergunning als de financiering verleend waren en dat geen betekenis toekomt aan de omstandigheid dat die voorwaarde als een ontbindende voorwaarde dan wel als een opschortende voorwaarde is geformuleerd. Zoals het Hof - in cassatie terecht niet bestreden - als uitgangspunt heeft genomen, is sprake van het aangaan van investeringsverplichtingen in de zin van art. 11 van de Beschikking superheffing indien die verplichtingen (in dit geval: vóór 1 september 1981) voor de rechter afdwingbaar zijn. Dat laatste is het geval ten tijde van het aangaan van een verplichting onder een ontbindende voorwaarde, omdat op dat moment zulk een verplichting in rechte afdwingbaar is en deze eerst vervalt bij vervulling van de voorwaarde. De ratio van art. 11 van de Beschikking superheffing en de door het Hof vermelde Eerste aanwijzing voor de uitvoering van de Beschikking superheffing geven geen grond daaromtrent anders te oordelen. De ten aanzien van de mogelijkheid tot toekenning van een bijzonder melkquotum in art. 11 neergelegde beperking tot de gevallen waarin de investeringsverplichting na 1 september 1981 is aangegaan, berust op de gedachte dat indien vóór die datum verplichtingen zijn aangegaan tot investering in nieuwe standplaatsen voor melk- en kalfkoeien de daarmee samenhangende melkproductie volledig in het referentiejaar 1983 zal worden gerealiseerd. In verband hiermee was het denkbaar geweest als relevant tijdstip voor de toekenning van een bijzonder melkquotum te aanvaarden het tijdstip waarop de bouwvergunning is verleend of waarop feitelijk met de bouw kan worden begonnen. In de Beschikking superheffing is echter gekozen voor een ander tijdstip, namelijk het tijdstip waarop de investeringsverplichtingen zijn aangegaan, hetgeen blijkens het hiervóór overwogene wil zeggen, voor de rechter afdwingbaar zijn. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat is bedoeld uit te gaan van een later tijdstip. De Eerste aanwijzing geeft als voorbeelden van voor de rechter afdwingbare verplichtingen "order aannemer, voorlopig koopcontract", bij de totstandkoming waarvan veelal de bouwvergunning nog niet (onherroepelijk) zal zijn verleend. De daarop volgende passage in de Eerste aanwijzing, waarin ervan wordt uitgegaan dat de bouwvergunning aan de investeringsverplichting voorafgaat - en waarin het Hof kennelijk steun heeft gevonden voor zijn andersluidende oordeel - ziet klaarblijkelijk op het zich hier niet voordoende geval dat de bouwwerkzaamheden met eigen arbeid worden uitgevoerd. Het onderdeel treft derhalve doel."

De Hoge Raad heeft vervolgens het arrest van het hof te 's-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het hof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

3.3.2 Het hof te Amsterdam (hierna: het hof) heeft vastgesteld dat de betrokken investeringsverplichtingen op 11 juni 1981 en derhalve vóór 1 september 1981 zijn aangegaan (rov. 3.5-3.12). Het heeft voorts de stellingen verworpen, die door [eiser] in zijn incidentele appel waren aangevoerd ten betoge dat hem niettemin een melkquotum dient te worden toegekend (rov. 3.13-3.14). Het hof kwam derhalve tot het oordeel dat het voorbereiden en vaststellen van het eerdergenoemde besluit van de minister van 12 juni 1985 niet strijdig kan worden geacht met de Beschikking superheffing en derhalve niet onrechtmatig. Dit bracht naar het oordeel van het hof mee, dat de vordering van [eiser] in haar geheel diende te worden afgewezen.

3.4.1 Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.4, dat de taak van de burgerlijke rechter in een geval als het onderhavige geen andere is dan het geschil op basis van de bij het CBB aangevoerde feiten en argumenten geheel opnieuw en zonder in enig opzicht te zijn gebonden aan het oordeel van het CBB te beoordelen en dat dit inhoudt dat voor nieuwe feiten of argumenten en bewijsstukken geen plaats is.

3.4.2 Het onderdeel mist in zoverre belang, dat het niet de klacht inhoudt dat het hof in het bestreden oordeel door [eiser] aangevoerde stellingen of overgelegde stukken buiten beschouwing heeft gelaten. Nu de Hoge Raad naar aanleiding van onderdeel 7 prejudiciële vragen zal stellen en het door onderdeel 1 bestreden oordeel mogelijkerwijs in het vervolg van de procedure alsnog van belang wordt, zal de Hoge Raad dit onderdeel niettemin behandelen.

3.4.3 Het gaat hier om een geval waarin de belanghebbende zich in overeenstemming met het bepaalde in de Wet Arbo terecht eerst tot het CBB heeft gewend, alhoewel de rechtsgang bij dit college toen nog niet voldeed aan de eisen die op grond van art. 6 EVRM aan een "gerecht" moeten worden gesteld. In zijn arrest van 23 januari 1998, nr. 16490, NJ 1998, 525, heeft de Hoge Raad overwogen dat het in het Nederlandse stelsel van

rechtspleging past om in deze situatie aan te nemen dat de belanghebbende die met inachtneming van de bepalingen van de Wet Arbo beroep bij het CBB heeft ingesteld doch een voor hem ongunstige beslissing van het CBB heeft verkregen, vervolgens zijn geschil aan het oordeel van de burgerlijke rechter kan voorleggen zonder dat de beslissing van het CBB aan hem kan worden tegengeworpen.

De vraag of partijen in een zodanige procedure zonder meer zijn gebonden aan de feitelijke en juridische stellingen, vorderingen en verweren waarvan zij zich in het voor het CBB gevoerde geding hebben bediend, moet om de volgende redenen ontkennend worden beantwoord. Ten eerste heeft [eiser] terecht erop gewezen dat de wijze van gedingvoering voor het CBB en de burgerlijke rechter verschilt. Aangezien een nauwe samenhang pleegt te bestaan tussen de in het algemeen geldende wijze van gedingvoering enerzijds en de wijze waarop men in concreto zijn zaak aan de rechter presenteert anderzijds, mag partijen al daarom niet de bevoegdheid worden ontnomen hun zaak opnieuw op te zetten nu deze aan een andere rechter wordt voorgelegd. Dit klemt temeer indien, zoals in elk geval in 1991, toen het CBB uitspraak in de onderhavige zaak deed, nog het geval was, de ene rechter (het CBB) een meer actieve en sturende positie in het geding inneemt dan de andere rechter (de burgerlijke rechter. Ten tweede bestaat in het algemeen de mogelijkheid dat bij het CBB een mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden, die niet in haar geheel neerslag in de gedingstukken heeft gevonden. In het licht van dit een en ander is de door het hof aanvaarde regel, hiervóór weergegeven in 3.4.1, voor een geval als het onderhavige niet in overeenstemming met de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling. Onderdeel 1 slaagt derhalve in zoverre.

Wel verdient hierbij aantekening dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het betrokken besluit door de burgerlijke rechter aan de hand van dezelfde maatstaven dient te geschieden als door het CBB dienden te worden aangelegd.

3.5 De in de onderdelen 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 11 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6 Met het vorenoverwogene staat in deze zaak definitief vast dat ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] de investeringsverplichtingen waarop hij zijn aanvraag voor een melkquotum heeft gebaseerd, is aangegaan op 11 juni 1981 en derhalve vóór 1 september 1981.

Het gaat hierbij om verplichtingen tot investeringen, zoals bedoeld in artikel 3, sub 1, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, die niet in het kader van een ontwikkelingsplan zijn aangegaan.

In de feitelijke instanties heeft [eiser] weliswaar ook nog - zie rov. 3.13 van het arrest van het hof - een beroep gedaan op een op 22 september 1983 - derhalve na het aangaan van de onderhavige investeringsverplichtingen - door hem met de Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw gesloten rentesubsidieovereenkomst en een daaraan ten grondslag liggend ontwikkelingsplan, maar de verwerping van zijn incidentele beroep impliceert mede de verwerping van zijn beroep op die overeenkomst. Nu het cassatiemiddel hiertegen geen klacht bevat, dient het beroep op die overeenkomst verder buiten beschouwing te blijven.

3.7.1Onderdeel 7 wijst erop dat het HvJEG weliswaar in het arrest Spronk - zie hiervóór onder 3.2.2 - art. 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr. 857/84 aldus heeft uitgelegd dat zowel onder het eerste streepje als onder het tweede streepje aan de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid wordt verleend om al dan niet specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen aan de in deze bepaling bedoelde producenten en om in voorkomend geval de omvang van deze specifieke referentiehoeveelheden vast te stellen, maar dat het tevens heeft overwogen dat, wanneer een Lid-Staat besluit gebruik te maken van de bevoegdheid uit dien hoofde specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen, zijn beoordelingsmarge bij de vaststelling van de hoogte van de referentiehoeveelheden beperkt is door eisen die voortvloeien uit zowel de tekst van de betrokken bepaling, het met die bepaling nagestreefde doel als het discriminatieverbod. Het wijst voorts erop dat de te dezen van belang zijnde bepaling van artikel 3, sub 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 voorziet in het verkrijgen van een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die de in die bepaling bedoelde producenten hebben geleverd in het jaar waarin het plan is voltooid, "indien het plan na 1 januari 1981 is uitgevoerd", zonder andere beperking ten aanzien van het tijdstip waarop de investeringsverplichtingen zijn aangegaan dan de eerder sub 1 genoemde uiterste datum van 1 maart 1984. Onderdeel 7 strekt ten betoge dat hiermee niet verenigbaar is de in art. 11 van de Beschikking superheffing voorziene beperking tot de uitvoering van investeringsverplichtingen die zijn aangegaan na 1 september 1981 maar vóór 1 maart 1984, en klaagt dat het hof de desbetreffende stellingen van [eiser] in rov. 3.14 ten onrechte heeft verworpen.

3.7.2In het arrest Spronk heeft het HvJEG naar aanleiding van de derde vraag voor recht verklaard dat

artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening 857/84 zich niet verzet tegen een ter uitvoering van deze verordening vastgestelde nationale regeling die aldus is opgezet, dat:

- producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, ongeacht of zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is gebeurd of niet, een specifieke referentiehoeveelheid kunnen verkrijgen,

- deze hoeveelheid wordt berekend op basis van een forfaitaire hoeveelheid die per nieuw ingerichte standplaats wordt toegekend,

- voor de berekening het aantal daadwerkelijk ingerichte standplaatsen wordt verminderd met 10% of 20%, al naar gelang het producenten betreft die met de melkproduktie beginnen, dan wel andere producenten, en

- de aldus na toepassing van bovengenoemde berekeningscriteria verkregen hoeveelheid wordt verlaagd met een derde of de helft, al naar gelang van het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen.

Onder de karakteristieken van de regeling van art. 11 van de Beschikking superheffing, waarover aldus een positief oordeel is gegeven, komt een beperking in de tijd als door onderdeel 7 aan de orde gesteld niet voor. Teneinde de toelaatbaarheid van die beperking te kunnen beoordelen acht de Hoge Raad het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk.

3.8 In afwachting van de beantwoording door het HvJEG van de aan dit Hof voor te leggen vragen wordt de verdere behandeling van het door [eiser] voorgedragen middel aangehouden.

4. Vragen van uitleg

4.1 Het Hof van Justitie kan bij beantwoording van de hierna te stellen vragen uitgaan van de hiervóór in 3.1-3.3 en 3.6-3.7.2 vermelde feiten en opgenomen beschrijvingen van de relevante bepalingen van het Nederlandse recht.

4.2 De vragen van uitleg van gemeenschapsrecht, waarvan de Hoge Raad de beantwoording voor zijn beslissing op het cassatieberoep noodzakelijk acht, zijn de volgende:

(1) Verzet artikel 3, sub 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 zich tegen een ter uitvoering van deze bepaling vastgestelde nationale regeling die aldus is opgezet, dat producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, ongeacht of zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is gebeurd of niet, slechts dan een specifieke referentiehoeveelheid kunnen verkrijgen, indien zij die investeringsverplichtingen hebben aangegaan na 1 september 1981 maar vóór 1 maart 1984?

(2) Indien vraag 1 niet in zijn algemeenheid kan worden beantwoord: Aan de hand van welke maatstaven moet worden beoordeeld in hoeverre de in vraag 1 bedoelde beperking in de tijd verenigbaar is met verordening 857/84?

5. Beslissing

De Hoge Raad:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de hiervóór onder 4.2 omschreven vragen van uitleg;

houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het antwoord van het Hof van Justitie is ontvangen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 oktober 2005.