Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT6195

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
00620/04 U II
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT6195
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belgisch uitleveringsverzoek strekkende ter tenuitvoerlegging (vervolg op tussenarresten LJN AO9918 en LJN AS2023). Nu het uitleveringsverzoek strekt ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf welke is opgelegd aan de opgeëiste persoon, die Nederlands onderdaan is, moet – gelet op het door Nederland gemaakte voorbehoud bij art. 7.1 van de Overeenkomst, opgesteld o.g.v. art. K.3 van het Verdrag betreffende de EU betreffende de uitlevering tussen Lidstaten van de EU – de uitlevering ontoelaatbaar worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 307

Uitspraak

24 mei 2005

Strafkamer

nr. 00620/04 U II

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

inzake het verzoek tot uitlevering aan het Koninkrijk België van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 18 januari 2005. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad - onder heropening van het ter zitting van 14 december 2004 gesloten onderzoek - de stukken in handen gesteld van zijn Procureur-Generaal ter beantwoording door de Belgische Minister van Justitie van de in dat arrest omschreven vragen.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 12 april 2005 is de schriftelijke samenvatting overgelegd van de opvatting van de Advocaat-Generaal Jörg omtrent het verzoek tot uitlevering. Die samenvatting strekt tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard, is in de gelegenheid gesteld tot het geven van schriftelijk commentaar op de opvatting van de Advocaat-Generaal.

2. Nadere beoordeling van het verzoek tot uitlevering

2.1. Ten vervolge op het hiervoor onder 1.1 genoemde arrest van de Hoge Raad is namens de Belgische Minister van Justitie bij schrijven van 6 april 2005 bericht dat het in het uitleveringsverzoek genoemde verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 januari 1996 definitief is geworden, zodat het verzoek strekt ter tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die aan de opgeëiste persoon bij dat vonnis is opgelegd.

2.2. Nu het uitleveringsverzoek strekt ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf welke is opgelegd aan de opgeëiste persoon, die Nederlands onderdaan is, moet - gelet op het door Nederland gemaakte voorbehoud bij art. 7, eerste lid, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van art. K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie - de uitlevering ontoelaatbaar worden verklaard.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verzochte uitlevering ontoelaatbaar.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 mei 2005.