Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5912

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
40507
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft niet gecontroleerd of aangetekende nota griffierecht wel door belanghebbende ontvangen was (BNB 1999/55).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Algemene wet bestuursrecht 8:55
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 685 met annotatie van Thomas
FutD 2005-1002
BNB 2005/288
V-N 2005/27.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.507

20 mei 2005

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 september 2003, nr. 02/03315, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van het Hof betreffende de haar in rekening gebrachte kosten van vervolging op de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2001 tot en met 30 september 2001, aanslagnummer 001.

1. Geding voor het Hof

Met betrekking tot voormelde vervolgingskosten heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft bij uitspraak van 10 december 2002 wegens niet betaling van het griffierecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. Het Hof heeft bij zijn in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat zij niet op de verschuldigdheid van griffierecht is gewezen. Het Hof heeft dit oordeel doen steunen op de overweging dat blijkens een zich in het dossier bevindend afschrift van de nota griffierecht de griffier belanghebbende bij op 17 september 2002 aangetekend verzonden nota op de verschuldigdheid van € 218 griffierecht heeft gewezen.

Middel 1, dat zich richt tegen de motivering van het hiervóór genoemde oordeel, wordt terecht aangevoerd. 's Hofs oordeel is niet voldoende gemotiveerd, nu uit de uitspraak niet blijkt dat het Hof tevens bij TPG Post navraag heeft gedaan of het stuk op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift is aangeboden. Middel 1 slaagt derhalve.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

Nu de Inspecteur de onjuist bevonden beslissing van het Hof niet heeft uitgelokt of verdedigd en de Staatssecretaris van Financiën zich in cassatie heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, stelt de Hoge Raad een eventuele veroordeling van de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie afhankelijk van de beslissing in de einduitspraak.

Over de kosten van het verzet bij het Hof dient het Hof te beslissen bij de uitspraak op het verzet, dan wel, bij gegrondbevinding van het verzet, bij de uitspraak op het beroep.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof van 19 september 2003,

verwijst de zaak naar het Hof ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,

gelast dat door de Staat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 348,

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak, en stelt, er rekening mee houdend dat de zaak met nummer 40508 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, deze kosten aan de zijde van belanghebbende vast op de helft van € 644, derhalve € 322, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2005.