Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5907

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
40357
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onbegrijpelijk bewijsoordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 737 met annotatie van Hamer
FutD 2005-1000
BNB 2005/287
FED 2006/1
V-N 2005/27.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.357

20 mei 2005

RS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 september 2003, nr. P00/03014, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 312.334.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat belanghebbende in 1996 voor een bedrag van ten minste ƒ 312.334 uitgaven heeft gedaan, en vastgesteld dat hij in zijn aangiftebiljet inkomstenbelasting 1996 heeft verklaard geen inkomsten te hebben genoten.

3.2. In het midden kan blijven of het Hof, zonder de grens van onbegrijpelijkheid te overschrijden, aan deze door hem vastgestelde feiten een vermoeden had kunnen ontlenen dat belanghebbende in 1996 (verzwegen) inkomsten heeft genoten, met gevolg dat het aan belanghebbende zou zijn om dat vermoeden te ontzenuwen, bijvoorbeeld door een aannemelijke verklaring te geven voor de herkomst van de geldmiddelen waaruit hij die uitgaven heeft bestreden.

3.3. Het Hof heeft echter een andere redenering gevolgd. Het heeft (onder 5.10) aannemelijk geoordeeld dat de voor de uitgaven van ƒ 312.334 noodzakelijke middelen afkomstig zijn uit de activiteiten van belanghebbende in het kader van zijn betrokkenheid bij de handel, dan wel het transport, de distributie en/of opslag van drugs. Dat oordeel is gebaseerd op het uitgangspunt dat naar het oordeel van het Hof voldoende omstandigheden erop wijzen dat belanghebbende in 1996 inkomsten heeft genoten uit die betrokkenheid.

3.4. Nu het Hof geen specificatie geeft van die "voldoende omstandigheden", houdt de Hoge Raad het ervoor dat het Hof beoogt te verwijzen naar de omstandigheden die het (onder 5.6) heeft opgesomd ter rechtvaardiging van het vermoeden dat belanghebbende in 1996 betrokken is geweest bij de handel in, dan wel het transport, de distributie en/of de opslag van drugs. Belanghebbende klaagt evenwel terecht dat dit in 's Hofs 5.6 vervatte oordeel onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan het vermoeden van drugsgerelateerde activiteiten in 1996 niet worden ontleend aan hetgeen het Hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, te weten:

- het feit dat belanghebbende strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van drugsdelicten, gepleegd in 1992 en in 1997,

- het feit dat belanghebbende met betrekking tot het in 1997 gepleegde delict ter terechtzitting (van de strafrechter) heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij de opslag van hashish,

- het feit dat in onderdeel III.h van het rapport inzake een strafrechtelijk financieel onderzoek betreffende belanghebbende sprake is van "een partij die vermoedelijk in 1995 of 1996 door [onder anderen: belanghebbende] is geïmporteerd", en

- het feit dat belanghebbende in 1996 uitgaven heeft gedaan ter grootte van (volgens het overigens in cassatie bestreden oordeel van het Hof) ten minste een bedrag van ƒ 312.334,

ook niet wanneer dit een en ander in samenhang en onderling verband wordt bezien.

3.5. Uit 3.4 volgt dat de onder 3.3 weergegeven oordelen eveneens onbegrijpelijk zijn. Derhalve slaagt de tegen deze oordelen gerichte klacht.

3.6. Het Hof heeft (onder 5.11) geoordeeld dat "op grond van hetgeen hiervoor is overwogen" in ieder geval aannemelijk is te achten dat door belanghebbende aanzienlijke inkomsten zijn genoten uit betrokkenheid bij de handel, dan wel het transport, de distributie en/of opslag van drugs. De tegen dit oordeel gerichte klacht slaagt, omdat het Hof klaarblijkelijk verwijst naar zijn rechtsoverwegingen 5.6 en 5.10, die blijkens het hiervoor overwogene in cassatie niet stand houden.

3.7. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 40356 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2005.