Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5882

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
36277
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 13 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968; herziening voorbelasting ingevolge Wet van 18 december 1995, Stb. 659; communautair vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/15 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
V-N 2005/27.18 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0991 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.277

20 mei 2005

whk

gewezen op het beroep in cassatie van de gemeente Leusden tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 juni 2000, nr. P99/2651, betreffende de haar over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Loop van het geding

Voor een overzicht van de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 14 december 2001, nr. 36277, BNB 2002/114, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 29 april 2004, gecombineerde zaken C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard (voorzover van belang):

'1) De artikelen 17 en 20 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, uitgelegd in overeenstemming met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, verzetten zich er niet tegen dat een lidstaat het recht afschaft om te kiezen voor belastingheffing over de verhuur van onroerende goederen, met het gevolg dat de voor de verhuurde onroerende investeringsgoederen verrichte aftrek overeenkomstig artikel 20 van richtlijn 77/388 wordt herzien.

Wanneer een lidstaat het recht afschaft om voor belastingheffing over de verhuur van onroerende goederen te kiezen, dient hij bij de keuze van de toepassingsmodaliteiten van de wetswijziging rekening te houden met het gewettigd vertrouwen van de belastingplichtigen. De afschaffing van het wettelijk kader waarvan de BTW-plichtige heeft geprofiteerd door minder belasting te betalen, zonder dat daarbij sprake was van misbruik, kan echter als zodanig geen schending van een op het gemeenschapsrecht gebaseerd gewettigd vertrouwen vormen.'

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest. De Staatssecretaris van Financiën heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2. Beoordeling van de middelen

Gelet op de hiervóór vermelde verklaring voor recht faalt middel 3. Aangezien de middelen 1 en 2, zoals vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2001, eveneens falen, dient te worden beslist als vermeld onder 4.

3. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2005.