Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5797

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
02844/04 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT5797
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak.De uitspraak dient op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Het hof heeft verwezen naar het arrest in de hoofdzaak en naar een financieel rapport, maar heeft niet aangeduid welke van de in dat arrest gebezigde bewijsmiddelen het voor de schatting relevant heeft geacht. Voorts is de inhoud van het financieel rapport in de bestreden uitspraak noch in eerdergenoemd arrest te vinden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 511g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 291
NBSTRAF 2005/291
JOL 2005, 414
JOW 2006, 7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2005

Strafkamer

nr. 02844/04 P

EC/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 september 2004, nummer 23/004250-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Amsterdam van 27 juni 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 933.652,79.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Hof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

3.2. Ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met de art. 415 en art. 359, eerste lid, Sv dient de uitspraak op een vordering als bedoeld in art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

3.3. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"Het hof ontleent de schatting van dit wederrechtelijk verkregen voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen, te weten:

- het verkorte arrest van dit gerechtshof van 9 november 2000 en de aanvulling daarop van 27 april 2001 en

- het rapport (met de bijlagen R1 t/m R37) met nummer 97062/SFO/041 van 7 mei 2001 met als onderwerp: "voordeelberekening strafrechtelijk financieel onderzoek contra [betrokkene]", op ambtseed opgemaakt door W. Boersma (forensisch) accountant-administratieconsulent, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar BOA, werkzaam bij het Landelijk Rechercheteam van het Korps Landelijke Politiediensten, waarvan de relevante inhoud als hier ingevoegd geldt."

3.4. De bestreden uitspraak voldoet niet aan het hiervoor onder 3.2 genoemde vereiste. Het Hof heeft weliswaar verwezen naar het verkorte arrest van 9 november 2000 en de aanvulling daarop - welke aanvulling 52 bewijsmiddelen bevat - maar het heeft niet aangeduid welke van die bewijsmiddelen het voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel relevant heeft geacht. Voorts is de - door het Hof relevant bevonden - inhoud van het rapport van 7 mei 2001 niet in de bestreden uitspraak noch in eerdergenoemd verkort arrest of in de aanvulling daarop te vinden.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 5 juli 2005.