Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5752

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
03236/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT5752
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De klacht over de tenuitvoerlegging wegens het niet ingegaan zijn van de proeftijd faalt reeds bij gebrek aan belang, omdat het miskent dat in een geval als het onderhavige waarin het gaat om niet-naleving van de algemene voorwaarde ex art. 14c.1 Sr, ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van de proeftijd tot tenuitvoerlegging aanleiding kan geven (HR DD 93.009).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 373
NJ 2005, 328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2005

Strafkamer

nr. 03236/04

IV/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 februari 2004, nummer 22/001127-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 19 februari 2003 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, door twee of meer verenigde personen" en 2. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het Openbaar Ministerie heeft ontvangen in diens vordering tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 20 december 2002 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, omdat de proeftijd niet is ingegaan nu aan de verdachte van deze voorwaardelijke veroordeling niet op de voet van art. 366a Sv mededeling was gedaan.

4.2. Het middel faalt reeds bij gebrek aan belang, omdat het miskent dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om niet-naleving van de algemene voorwaarde als bedoeld in art. 14c, eerste lid, Sr, ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van de proeftijd tot tenuitvoerlegging aanleiding kan geven (vgl. HR 23 juni 1992, DD 1993.009).

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier P. Sloot, en uitgesproken op 14 juni 2005.