Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5663

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
02527/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT5663
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslissing op (voor de terechtzitting ontvangen) aanhoudingsverzoek ex art. 278.3 Sv van verdachte of gemachtigde raadsman. Uit de art. 278.3 en 4, 329, 330 en 331.1 Sv volgt dat op een verzoek van verdachte ex art. 278.3 Sv ter terechtzitting moet worden beslist, nadat het OM omtrent dat verzoek is gehoord, en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de ex art. 279.1 Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het pv van de terechtzitting op straffe van nietigheid een gemotiveerde en uitdrukkelijke beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds verdachte en van hetgeen voor hem op het spel staat en anderzijds van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen. Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopige oordeel (van het gerecht) omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het pv van de terechtzitting te worden vastgelegd. Het ontbreken daarvan leidt i.c. tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 278
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 329
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 454
JOL 2005, 583
NBSTRAF 2005/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2005

Strafkamer

nr. 02527/04

EC/SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 februari 2004, nummer 22/003190-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 maart 2003 - de verdachte ter zake van "voortgezette handeling van afpersing terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor nachtrust bestemde tijd in een woning en door twee of meer verenigde personen" en "diefstal voorafgaand en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot het nemen door de Hoge Raad van die beslissing op de voet van artikel 440 lid 2 Sv die aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt op tegen 's Hofs beslissing de zaak tegen de verdachte bij verstek en buiten aanwezigheid van een advocaat te behandelen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt met betrekking tot een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak het volgende in:

"De verdachte(...)is niet ter terechtzitting verschenen. Evenmin is ter terechtzitting verschenen de aan de verdachte toegevoegde raadsman mr. J.B. Boone.

De benadeelde partij en haar gemachtigde zijn ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter deelt mede de ontvangst van een tweetal aan haar gerichte brieven namens de aan de verdachte toegevoegde raadsman mr. J.B. Boone, gedateerd 9 respectievelijk 23 januari 2004. In de brief van 9 januari 2004 is medegedeeld dat mr. Dogan namens kantoorgenoot mr. Boone niet in staat zal zijn om ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 januari 2004 de belangen van de verdachte te behartigen omdat zij er niet in is geslaagd in contact te komen met de verdachte en bovendien niet uitdrukkelijk is gemachtigd om namens hem in hoger beroep op te treden.

Blijkens de op 26 januari 2004 bij dit hof ingekomen brief d.d. 23 januari 2004, heeft de verdachte mr. Dogan uitdrukkelijk gemachtigd om op de terecht-zitting van 30 januari 2004 de verdediging te voeren. Mr. Dogan verzoekt de zaak aan te houden aangezien zij, evenals mr. Boone, op die dag verhinderd zal zijn.

De voorzitter deelt mede dat dit verzoek, zoals ook blijkt uit een zich in het dossier bevindend emailbericht d.d. 26 januari 2004, door haar gemotiveerd is afgewezen nu het een complexe zaak betreft met drie medeverdachten, waarvoor een hele zittingsdag is uitgetrokken en dat zij heeft laten mededelen dat het hof op de terechtzitting van 30 januari 2004 mr. Dogan dan wel een vervanger verwacht.

Gehoord de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede dat het mogelijk is om de zaak bij verstek te behandelen. In verband met de complexiteit van de zaak en de ernst van het feit, verzoekt hij echter primair om de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden.

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek, teneinde bij advocatenkantoor Boone te informeren of namens mr. Boone heden ter terechtzitting alsnog een raadsman zal verschijnen.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt het hof, bij monde van de voorzitter, mede dat de griffier zojuist met de secretaresse van voornoemd kantoor heeft gebeld. Haar werd de vraag gesteld waarom het hof, nadat de voorzitter het aanhoudingsverzoek op 26 januari 2004 heeft afgewezen, niet op de hoogte is gebracht van de kennelijke beslissing van het advocatenkantoor Boone om zonder nadere mededeling niet ter terechtzitting te verschijnen. Zij antwoordde dat mr. Boone haar heeft medegedeeld: "Als het niet kan, dan kan het niet".

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte."

3.3. Voor de beoordeling van het middel is het volgende wettelijke kader van belang:

(i) art. 278 Sv, dat luidt, voorzover hier van belang:

"3. Indien de verdachte heeft meegedeeld dat hij zijn verdediging in persoon wil voeren en hij om uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft verzocht, beslist de rechtbank op het verzoek om uitstel. De rechtbank willigt het verzoek om uitstel in of wijst het af, waarna in het laatste geval het onderzoek met inachtneming van artikel 280, eerste lid, wordt voortgezet.

4. Bij (...) inwilliging van het verzoek, bedoeld in het derde lid, beveelt de rechtbank de schorsing van het onderzoek en de oproeping van de verdachte tegen het tijdstip van hervatting van het onderzoek."

(ii) art. 329 Sv, dat luidt:

"Alvorens te beslissen op eenig verzoek of verzet van den verdachte, hoort de rechtbank den officier van justitie. Alvorens te beslissen op eenige vordering of op eenig verzet van den officier van justitie, stelt de rechtbank den verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman in de gelegenheid het woord te voeren."

(iii) art. 330 Sv, dat luidt:

"Weigering of verzuim om te beslissen over eene vordering of een verzet van den officier van justitie of een verzoek of verzet van den verdachte, strekkende om gebruik te maken van eene bevoegdheid of van een recht door de wet toegekend, heeft

nietigheid ten gevolge."

(iv) art. 331, eerste lid, Sv, dat luidt:

"Elke bevoegdheid van de verdachte die bij deze Titel is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van artikel 279, eerste lid, tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten."

3.4.1. Uit dit samenstel van bepalingen, die ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv ter terechtzitting moet worden beslist - nadat het openbaar ministerie omtrent dat verzoek is gehoord - en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het proces-verbaal van de terechtzitting op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds de verdachte, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen.

3.4.2. Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopige oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is.

De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd.

3.5. In het onderhavige geval is de procesgang als volgt geweest:

a. de verdachte is op 15 december 2003 in persoon gedagvaard voor de terechtzitting van 30 januari 2004;

b. de raadsvrouwe van de verdachte is, na aanvankelijk geen contact met haar cliƫnt te hebben kunnen krijgen, op 23 januari 2004 alsnog door de verdachte uitdrukkelijk verzocht om hem (wederom) bij te staan;

c. zij heeft bij brief van 23 januari 2004 om aanhouding van de zaak verzocht omdat zij verhinderd was ter terechtzitting te verschijnen;

d. de voorzitter van het Hof heeft de raadsvrouwe op 26 januari 2004 doen weten dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen omdat de zaak complex is, er drie medeverdachten bij betrokken zijn, er een hele zittingsdag voor is uitgetrokken en het erg laat is ingediend, alsmede dat zij verwacht dat de raadsvrouwe dan wel een vervanger ter terechtzitting zal verschijnen;

e. ter terechtzitting van 30 januari 2004 is noch de verdachte noch zijn raadsvrouwe of haar vervanger verschenen, waarna het Hof, na telefonische navraag bij haar kantoor, verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte en de zaak verder heeft behandeld en afgedaan.

3.6. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing in omtrent het verzoek van de gemachtigde raadsvrouwe tot uitstel van de behandeling. Dat heeft, naar voortvloeit uit hetgeen hiervoor onder 3.4.1 is overwogen, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg.

3.7. Het middel treft doel.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 oktober 2005.